Selecteer een pagina

Een sumier reisverslag met meer foto’s dan tekst. Kortom, Frank en ik zijn naar Briançon geweest met de motoren op de aanhanger, en hebben van daaruit enkele ritten gedaan. Hier is ’t relaas…

Dag 1. Kalm beginnen, starten met de Col de Sommeiller na in Bardonechia van een lekker ontbijt te hebben genoten. De piste v.d Sommeilller is niet de makkelijkste, maar moet doenbaar zijn, ze is tegelijk de hoogst berijkbare in de Alpen henden ten dage.
Onderweg komen we enkele makkers tegen. We wisten dat ze hier in de regio gingen zitten, maar het is altijd een leuke verrassing als je mekaar tegenkomt op een onverharde piste om dik 1000km van huis.



Boven geraken lukt prima, we staan aan het eind v.d piste. De houten barriere is er pas enkele jaren geleden gezet, je zit hier op 2995m hoogte.


De gletsjer heeft al mooiere jaren gehad. Deze gletsjer is nochthans de reden dat er hier een weg, of piste, naar boven loopt. In de jaren ’60 hadden enkele mensen het idee om het hier tot een zomer skiresort om te bouwen. Ze hebben het amper tot begin jaren ’80 uitgezongen, de gletsjer was veel te klein geworden en kosten om de weg te onderhouden waren hoger dan de inkomsten.


De piste naar beneden.


Rifugio Scarfiotti, waar het jaarlijkse Stella Alpina event doogaat. Waar je hier iets kan eten, al moet je geen uitgebreide menukaart verwachten. Of gewoon geen menukaart verwachten.
Ook waar we nog 3 motormaten tegen ’t lijf lopen.


Wanneer we terug in Bardonechia staan heb ik een goed idee. We kunnen de Monte Jafferau oprijden, maar niet via de gekende piste vanuit Salbertrand, nee, vanuit Bardonechia en Gleise en zo via de skipistes naar boven. Een sterk plan zeg ik zelf.
Het enige probleem is als volgt. Je moet 1000 hoogtemeters overwinnen, op minder dan 10km. Is dus gemiddeld 10% omhoog, maar als je weet dat sommige stukken piste amper vals plat zijn wil dat ook zeggen dat er stukken tussenzitten waar je precies tegen een stenen muur omhoog klautert. Nogmaals, een sterk en goed plan van mij, rekening houdende dat ’t nog altijd dag 1 is en we ’t langzaam aan gingen doen.


Hier kan je helemaal boven op de bergkam het Fort zien liggen, da’s nog altijd minstens 500 hoogtemeters van hier. De makkelijkste delen zijn nu wel voorbij, vanaf hier gaat ’t steil omhoog.


Frank komt een makkelijk stuk omhoog gereden, van de echt moeilijke delen heb ik geen beelden, was al gewoon simpelweg tevreden van niet op m’n bek te gaan.


Op een wel heel slecht stuk graaf ik mijn achterwiel in, ik kan niet meer vooruit of achteruit. Gelukkig waren deze Belgen ook van de partij en hebben we samen mijn GSR omhoog gestart gekregen, zonder me dieper in te graven. Nogmaals enorm bedankt kerels 😉


Na dit stuk waar we mekaar geholpen hebben is ’t ergste voorbij, we kunnen de top ruiken en rijden na enkele minuten ’t dak van het oude Fort op. We zijn er geraakt, vreugde is mijn deel.


Frank ziet er ook een beetje voldaan uit.

Terugkijkende op de skipiste en de route die we omhoog geklauterd zijn.


De route naar beneden was snel besloten, we gaan de beter gekende en hopelijk makkelijkere piste naar Salbertrand nemen.


Eenmaal beneden rijden we met een smile op ons gezicht naar de camping, nog zo’n 30km via de Col du Montgenévre. Zalig dagje om te beginnen me dunkt.

Dag 2 & 3 zijn een tweeluik, we nemen wat basic bagage mee en trekken voor 2 dagen weg. Sommige van de pistes die ik opgezocht heb liggen domweg te ver om ze op één dag te rijden èn terug naar base camp te gaan, aldus maken we er een grote lus van.
In elk geval is ’t begin al flink in orde, we moeten de Col d’Izoard over en nemen een uitgebreid ontbijt in de Réfuge Napoleon net onder de top. Bij mooi weer een zalige plek om te vertoeven, al enkele jaren een vaste stop voor mij.


De volgende bergpas op de route is de Col d’Agnel. Minder bekend, wel hoger. En mits goed weer, wat je hier zelden hebt, een absolute aanrader. Zelfs zonder mooi weer als ge ’t mij vraagt.




Na zo’n 50km in de vallei draaien we ergens rechtsaf, de eerste piste is in zicht. De Strada dei Canonni begint in Valmala aan de rand v.d Italiaanse Alpen, achter ons ligt de Povlakte.


Nu alle focus op de piste, die is op sommige stukken best technisch rijden, maar het wordt nergens echt moeilijk.



Een stuk verder vlakt het uit, je zit op de bergkam en rijdt eens links, dan weer rechts van de berg.


Het wordt echt genieten, van de omgeving, van de route, de iets moeilijkere stukken liggen duidelijk achter ons. Het gevreesde, in de Denzel beschreven als 4,5 op 5 qua moelijkheidsgraad gedeelte met grote losliggende stenen hebben we eigenlijk niet echt gezien, dat zal door de jaren simpelweg vlakgereden zijn.


Frank bereikt het einde van de piste ter hoogte van Colle di Sampeyre.

Het is reeds na vijven, we rijden door de wondermooie Vallone d’Elva naar de vallei waar we in Stropo op een kleine camping ons kamp voor de nacht opstellen.
Kamperen wil ook zeggen eigen potje koken. En eindelijk die fles witte wijn soldaat maken, die al heel de dag in m’n zijkoffer steekt, shaken, not stired.

Dag 3 dan. Opstaan, uit de kleine tent kruipen, potje koffie maken, opkramen, benzine zoeken (de GSR drinkt lustig door op de pistes, en de Revamp tank heeft maar 19l inhoud) en dan tot de orde van de dag overgaan. We rijden direct terug omhoog, het dorpje Preit voorbij, de gelijknamige pas op. Asfalt tot op de top, daar wordt ’t onverhard.


Op de top neem je rechts, richting Passo della Gardeta. Links loopt na enkele km dood in een weide, rara hoe we dit weten?


Enkele km verder sta je terug aan een afslag. De piste naar de Passo della Gardeta is helaas reeds enkele jaren afgesloten, had ‘m nochthans heel graag van m’n lijstje kunnen schrappen. In de verte zie je de Roca la Meya.


Weer enkele km’s verder dan, je blijft van uitzicht naar uitzicht rijden. Nergens echt moeilijk, soms beetje uitkijken maar altijd prima te doen.



Een half uurtje later komen we aan een verzameling oude huizen, nuja, of wat er van overblijft. Hier ben ik reeds geweest, ik heb ooit de piste vanuit de andere richting gereden en hier gemerkt dat mijn klein fototoestel uit m’n tanktas was gerammeld. Een dik uur verlies met grondscannend rijden tot ik meer dan 10km terug het toestel had teruggevonden heeft er toen voor gezorgd dat ik op den duur maar het asfalt heb gekozen, ik kon me geen extra tijdverlies permiteren. Nu heb ik de rest van deze wondermooie piste ook gereden.


Na een km of 7 sta je op Colle de Valcavera, en aldus terug op ’t asfalt. We duiken de afdaling in naar Demonte en draaien daar rechtsop.


We gaan de Valle Stura oprijden en nemen de brede baan van de Col de Larche om terug in Frankrijk te geraken.


Voila, terug Frankrijk binnen. De volgende hindernis wordt de Col du Parpaillon. Een oude militaire piste, zoals ze quasi allemaal hier zijn, met een 500m lange ruwe schacht als tunnel op de top. Altijd een uitdaging die Parpaillon.
Het eerste deel is in het bos, vanaf het 2e brugje zit je in open terrein. Frank neemt de kop.


Zowat halverwege de oostzijde.


Frank bereikt de top.


Voor je de tunnel induikt wil je best wel ff goed kijken of er niemand reeds in de tunnel zit. We horen van een groep 4×4 rijders dat er nog enkele onderweg zijn, ff wachten dus tot de laatste door de tunnel is.


We zijn er zonder problemen door geraakt. Niet altijd evident, sporing, modder en plassen waar zelfs nu nog (september) ijs kan verscholen liggen, altijd een fijn gevoel om de laatste 20m van de tunnel uit te rijden en te weten dat ’t gelukt is.


Halverwege de westzijde.



Na een kilometer of vijftien kom je terug op asfalt, en voor je het eerste dorpje induikt krijg je dan dit zicht voorgeschoteld van het Lac de Serre-Ponçon.


We zijn beiden moe aan het worden en besluiten om de rit terug naar base camp simpel te houden, we volgen de D994D rechts van de Durance stroomopwaarts en op den duur zitten we op de saaie N94 naar Briançon. Een half uurtje later staan we beiden terug op de camping in Les Alberts, met een koude pint in onze handen en een smile tot aan onze oren, schitterende twee dagen gehad.

Dag vier dan, we gaat het vandaag houden bij makkelijke, door mij reeds verkende pistes. En nemen de dag hoe hij komt, we zien wel.
Voor te beginnen gaan we de Strada dell’Assietta rijden. Maar daarvoor moeten we eerst de Colle delle Finestre over. En da’s een leuk ding, smal asfalt met gedurende enkele km’s een haarspeld om de maximaal 100m. De laatste 7km zijn echter onverhard met een niveau dat varieert van makkelijk met eender welke motor te rijden tot “toch maar het verstand bijhouden”. Ik heb een goeie dag en amuseer me rot op de Finestre, Frank volgt op z’n gemak en ik zie ‘m dan ook een stuk achter me rijden. Op de top gekomen zet ik hem op de gevoelige plaat.


Op de top is ’t genieten, van het uitzicht, het mooie weer dat we al hebben gehad sinds we hier zijn toegekomen (september begint echt m’n favoriete periode te worden, veel kalmer qua toerisme maar toch het mooie zomerweer) en blijven hier dan ook ff plakken.




Enkele km na de top heb je de keuze, ofwel blijf je op ’t asfalt tot in de vallei, ofwel neem je de Assietta piste die hier begint.



Veel woorden moet ik hier niet aan vuilmaken, geniet maar van de foto’s.






Ok, na de Assietta zitten we dus in Sestriere, dat ook z’n beste tijd heeft gehad als skiparadijs. Mij doet het in ieder geval wat over datum aan.
Ik vraag Frank of hij nog zin heeft in iets leuks. “Tuurlijk” zegt hij, “laat maar komen”.
We nemen dus de weg van Sestriere richting Couze di Cesena, de SP215. Halverwege die weg kan je links nemen en rij je de mooie maar afgelegen Valle Argentiera in.
En da’s een waar allroadbrommer paradijs, je begint met een ruim 10m brede gravelbaan met af en toe een bult, sowieso leuk rijden. En soms zelfs springen. Na een km of zes heb je links een bruggetje met een boerderij, dat bruggetje kan je ook negeren door gewoon door de rivier te rijden.


Een stuk of wat km’s verder heb je de keuze, ofwel neem je rechts de piste die nu best wel technisch wordt maar nog altijd ruim te berijden valt, ofwel probeer je het steile weggetje richting Pian Alpe, een andere boerderij in deze vallei.
Ik heb ’t ooit al gedaan, was best flink spannend toen. Voor ’t geval Frank met dit idee akkoord zou gaan had ik enkele km terug alvast een foto geschoten van dit steile stukje piste.


Frank ziet ’t zitten. Wat zeg ik, voor ik iets kan zeggen is hij eraan begonnen.


Het laatste stuk is echt ff goed opletten, het wordt plots heel steil en je krijgt twee haarspeldjes te verwerken. Gewoon zorgen dat je blijft rijden, gas erop houden en een ruime lijn kiezen in de bochtjes.
We komen beiden boven waar er een bende 4×4 rijders ons staat te bekijken, die verwachten geen 2 lompe, zware allroadfietsen op dit technisch stuk te zien. Na een korte babbel vertrekken de 4×4’s, die doen het stukje naar beneden.


We bestellen ons een frisse Cola en ik ben stiekem toch wel opgelucht dat we dit korte maar moeilijke stuk perfect hebben overleefd. Maar dat ga ik nooit toegeven, stoer als we zijn 😉


De poezen en honden liggen en zitten her en der verspreid, toeristen of bezoekers zijn ze blijkbaar wel gewoon.



Verder dan maar. We nemen de andere makkelijke piste, die dezer dagen door iedereen gebruikt wordt behalve wie op zoek is naar een uitdaging. Gekken zoals wij dus…
De piste naar Gran Miol zelf (een oude koeiestal op +2500m en daarmee het letterlijke hoogtepunt van deze vallei) is een maat voor niets, na een km is de piste afgespannen en lopen de koebeesten vrolijk overal rond. We keren dan maar terug naar beneden, deze keer via de andere piste die we omhoog rechts laten liggen hebben. Ook technisch want hier en daar flink steil naar beneden, en tussen de bomen nog wat nat ook.
Een stuk lager zitten we terug op het brede deel, we knallen er flink op los en op de bulten komen we met beide wielen van de grond.
Na Cauze di Cesena passeer je in Bousson, en daar weet ik ook nog een leuk ditje en datje zitten. De piste omhoog naar Lago Nero om te beginnen.
Die is tof om rijden, niet moeilijk, wel draaien en keren, en constant omhoog. Anyway, maar goed ook dat de piste top is want voor het Lago Nero zelf moet je niet omhoog komen. Mooi, maar klein en vol muggen.


Nu, verder loopt het dood. Terug dus, een stuk naar beneden, maar dan links nemen. We gaan via Sagna Longa naar Claviere afzakken, da’s eerst via een heel makkelijke aarde- en gravelweg, om dan op den duur op de skipistes rond en boven Claviere uit te komen.



Van hier in Claviere sta je haast direct boven in Montgenévre, de gelijknamige bergpas afduiken en een kwartiertje later staan we terug op de camping. Ttz, op ’t terras bij Edmond met een frisse en welverdiende pint onze handjes. Wederom een schitterend dag gehad.

Dag vijf. Sowieso onze laatste dag. Frank heeft me net gevraagd om mogelijks deze nacht terug naar huis te rijden. Voor mij geen probleem, als ik mag rijden. Ik ben waarschijnlijk de meest vervelende passagier die je in een auto kan hebben, zet mij achter het stuur en daar voel ik me thuis.
Nu dan, eerst vandaag nog. We gaan dus een stukje improvisatie tegemoet, maar zelfs daar heb ik een antwoord op. Een doodlopend stuk weg, overgaand in een doodlopend stuk steenpiste, uitmondend in een pointe de vue over Briançon. Genaamd Croix de Toulouse.


De moeite waard moet ik eerlijk toegeven. De motoren rusten uit naast een oud gebouw.



Tegen de middag zijn we terug op de camping, we beginnen op het gemak alles op te kramen, zetten de motoren terug op de aanhanger en na afscheid genomen te hebben van Edmond en z’n pup Squid vertrekken we naar huis.


De Col de Montgenévre over, in Bardonechia de Tunnel de Fréjus door (dat is een stukje dat je alvast niet voor de gezeligheid moet doen, een doodsaaie konijnepijp van 13km lang) en aan de andere kant krijgen we onze eerste regendruppels van de gehele week. Mooi op tijd, en we krijgen er nog een regenboog om ons uit te zwaaien bovenop.


Dat was ‘t. Wil je meer info over wat je gelezen hebt, stuur ons gerust een mailtje met je vragen naar info@motoadventurestore.be.

Beknopte uitleg van de door ons gekozen kledij:

Klim Adventure Rally Jacket (de ultieme allroadjas, die deze keer ten volle gtetest is geweest op z’n ventilerende eigenschappen)
Klim Badlands Pants (de beste prijs/kwaliteit die je maar kan wensen, met reeds beproefde en gekende features)
– Moto Adventure Store T-shirt (Ademende en technisch T-shirt van hoogstaande kwaliteit, voorzien van ons logo)
– Klim T-shirt (omdat we graag niet elke dag hetzelfde T-shirt moeten dragen, ten volle getest op z’n zweetafdrijvende mogelijkheden)
Klim Aggressor Short (technische en comfortabele onderbroek zonder storende naden die zalig z’n werk doet)
Klim Vented Sock (kniehoge sokken gemaakt uit comfortabele zweetafdrijvende stof)
– Forma Terra laarzen (stijve en uitermate beschermende offroad laarzen, helaas momenteel niet meer leverbaar en een vervanger moet nog gevonden worden)
– Klim F4 Helmet (een maximaal geventileerde helm met een 30-tal ventilatie openingen, heden ten dage vervangen door de Klim F3 en F5 Helmet)
– Klim Radius Moto Pro Goggle (de bij de F4 helm passende crossbril, uitmuntende ventilatie en prefect zicht dankzij de optionele Radius Moto Pro Singel Lens in oranje versie, ondertussen vervangen door de Viper Pro offroad-crossbril)
– Klim Aggressor neck Sock (ventilatie zonder tocht in de nek te krijgen, nu vervangen door de Klim Aggressor Cool -1.0 Neck Sock, nog betere ventilatie zonder hinderlijke tocht in de nek)
Dakar Pro handschoenen (zalige alleskunner, de opvolger van de oude Adventure handschoen)
Mojave handschoen (maximale ventilatie in een lichte enduro handschoen)
Klim Nak Pak (3L waterzak [waterzak apart bij te bestellen in een 2L of 3L configuratie] in combinatie met een lichtgewicht maar toch voldoende ruime rugzak, sinds de zomer van 2018 vervangen door z’n opvolger in een compleet nieuwe uitvoering)

 

 

0

Your Cart