Selecteer een pagina

Onze jaarlijkse uitstap, naar de Alpen. Voor Bart de eerste met z’n net aangekochte R1150GSA, zonder druk van mij zelfs. Eindelijk, 2 allroad’s onderweg, maar komt er ook daadwerkelijk allroad aan te pas, we gaan ’t beleven…

Dag 1: van thuis tot Annecy…

We hebben afgesproken aan de Texaco aan de oprit v.d E40 in Aalst, zo rond 08u00. Rond tien na acht krijg ik een belleke, Bart aan de lijn: “Zeg, hadden wij nu afgesproken aan de oprit, of aan den Texaco van Groot Bijgaarden?” “Ah, aan diene van Aalst tiens!” “Ahzo, awel, haast u dan, ik sta al aan diene van Groot Bijgaarden, en ’t is file op d’autostrade.”
Allé, ’t begint al goed, ik kan direct naar Gr. Bijgaarden door de file proberen te knallen, uiteindelijk wordt ’t filefilteren vanaf Ternat, maar ik geraak er vlot door, ’t is dan ook een weekdag, en die commuters zijn het tussen-de-file-doorrijden van de motards gewoon.
Na zo’n dikke tien minuten ben ik er, Bart staat me op te wachten, klaar om te vertrekken.
Eerst nog een fotooke, en dan zijn we weg.


Van hier is ’t naar Luxemburg, we hebben afgesproken om stints van 200+km’s te rijden, en dan de eerstvolgende tankgelegenheid te benuttigen. Zo schiet ’t nog op, en heb je toch nog regelmatig de tijd om je benen is te strekken.
Eens in Luxemburg is ’t tijd om de tanken te vullen, en om iets te eten. Wanneer we dat doen zien we iemand met een caravan in de knoop raken bij ’t langs de kassa v.d tankinstallatie passeren. Hij kan de bocht niet maken, de caravan schuurt, en scheurt achteraan tegen de gevel v.d shop. Uiteindelijk moeten wagen en caravan ontkoppeld worden om weg te geraken.
Een ietwat bizarre scène, die je nogmaals duidelijk maakt dat sommige mensen éénmaal per jaar met zo’n sleurhut rondzeulen, en ’t eigenlijk gewoon niet kunnen.


Tja, dan maar verder. Zo’n kleine twee uur later, in Langres, de volgende stop. Weer wat eten, drinken, en terug verder, zo schiet ’t goed op.
Iets verder nemen we de A39, richting Bourg-en-Bresse, en wat verder is ’t de A40 op, richting Genève. De A40, die heb ik nog nooit gereden, zodoende heb ik vandaag toch al een stukje Frankrijk verkend, wederom. Die A40 gaat door de Jura, het langgerekte middengebergte dat eigenlijk geologisch deel uitmaakt van de Vogezen en het Zwarte woud.
Eigenlijk gaat die A40 er gewoon over, ge moet dan ook plots redelijk wat hoogte overwinnen om de eerste col van de congé te beklimmen, de Col du Berthiand, 780m hoog. Daarnet zaten we nog maar op zo’n 2 à 300m, serieuze toebak me gedacht. Ik voel ’t ook aan de GSA, zit dus blijkbaar nog altijd met zwaar vermogenverlies. Als het zo steil omhoog gaat zakt hij gewoon in toeren, en da’s toch niet de bedoeling denk ik dan.
Net voor Nantua rij je een tunnel in, over die bergtop gaan was waarschijnlijk iets te gortig, die is nog is 300m hoger. Als je dan de tunnel uitkomt zit je plots op een heel hoog viaduct, met een machtig zicht over de bergen en dalen v.d Jura. Een echte aanrader voor ieder die een snelle, maar toch mooie weg naar de Alpen zoekt. Spijtig genoeg geen foto’s kunnen nemen, ga ik voor volgende keer iets op verzinnen.
Het rijden is echter iets minder, voor ons althans, ’t is nat, en redelijk bochtig, ik ga de held niet uithangen, en hou me braafkes aan de snelheidslimieten. En da’s maar goed ook, er staan hier redelijk wat flitsbakken.
Na zo’n 800km autosnelweg, die redelijk vlot verlopen zijn, verlaten we de A40 aan de afrit 11, die van Frangy, we hebben onderweg al afgesproken dat ons eindpunt voor vandaag het F1 hotel van Annécy gaat zijn. Ondanks dat het eigenlijk droog is gebleven de ganse dag verwacht ik voor deze nacht, en morgenvoormiddag toch regen, dus liever een hotelleke alhoewel ’t warm genoeg is hier, zo’n 24°C.
Vanaf de afrit is nog zo’n 30km in het glooiende landschap, gevangen tussen de Jura en Alpen. Leuk rijden, niet te druk.
Na een lange dag rijden zijn we dan eindelijk aan het hotel geraakt, ’t is genoeg geweest voor vandaag.


We pakken een kamer, smijten de dingen die niet op de motoren mogen of kunnen blijven liggen naar binnen, en frissen ons wat op.
Na een half uurke uitrusten, zitten en een safke smoren springen we terug op de moto’s, nu naar ’t centrum van Annécy. Ben er met de eerste Alplutsers doorgereden, en ’t zag er mij een aangenaam plaatsje uit, zo aan de rand van ’t meer. Zelfs met de Nüvi is ’t nog een dik kwartierke rijden tot aan de monding van ’t meer, waar het water langs de rivier Fier naar de verder gelegen Rhone vertrekt. Maar ’t was ’t waard, een mooie omgeving, het echte begin van de Alpen, prachtig uitzicht over ’t meer, en het oude centrum van Annécy.


We kuieren wat rond, om dan maar een tafelke te nemen op het terras waar we eerst dachten te gaan zitten, maar toen net geen plaats was, nu dus wel. Een lekker avondmaal is ons deel, en ondertussen treedt de duisternis in. Het is nog altijd mooi weer, maar eens de zon verdwijnt zakt de temperatuur ook gevoelig, op den duur zitten we daar met ons motovesten aan, maar we hebben ’t dan wel lekker warm. Tja, ’t is ondertussen al september hé.
Wanneer we naar de moto’s wandelen zien we dat de terraskes met hun verlichting een mooi effect geven met ’t water, ff fotomoment dus.


Dan, terug naar ’t hotel. Ik volg de gps, maar raak ff de juiste weg kwijt, en op den duur stuurt diene Nüvi mij langs heel kleine straatjes, bergsken op, bergsken af, over ne spoorweg, om dan weer op de grote baan te komen. Blijkbaar wist ‘m wat hij deed, want zo’n minuut later staan we aan ’t hotel.
Nog wat nababbelen, ff naar tv kijken, ahja, er is het Frans kampioenschap petanque op tv, wreed interessant zulle, soit, na een half uurke gaat ’t licht uit, en de oogskes toe.
Moet wel zeggen dat ze rond een uur of drie ’s nachts nog is zijn opengegaan, omdat het buiten fameus aan ’t onweren was, met klank en lichtshow erbij. Was dus een goeie gok om naar ’t F1hotel te gaan ipv. de camping.

Dag 2: 7 bergpassen, als dat geen opwarmertje is…

Nu, we hebben betaald voor ontbijt, en willen redelijk vroeg op de baan zijn, opstaan om 07u00 dus, en ons klaarmaken. Eerst ontbijten, dan de moto’s opzadelen.
Het weer ziet er niks goed uit, het regent momenteel niet, maar dat kan elk moment veranderen. Wel is ’t warm, we genieten van ’t summiere ontbijt op de tafels buiten, en ondervinden al rap dat de locale wespenbende dit plekje kent. ’t Is dat ge ze soms vantussen uwe sandwich moet kloppen, of ge zou extra vlees mee naar binnen slikken.
Op den duur zet ik een potteke appelmoes aan den andere kant v.d tafel, om die vervelende beestjes bij ons weg te houden. ’t Potteke appelmoes heeft succes!


Allé, ’t ontbijt is binnen, we halen ons gerief en beginnen de moto’s op te zadelen. Net dan begint ’t te druppelen, ach ja, had ’t voorspeld, niks aan te doen.
Tegen dat we goed en wel weg zijn ligt de baan er terug kletsnat bij, maar echt goe regenen doet ’t niet, ik klaag (nog) niet. Nu, van hieruit is ’t naar onzen eerste col v.d dag, de Col de la Forclaz, en wel deze ten oosten van ’t meer van Annécy. Er zijn nl. meerdere Cols de la Forclaz in Frankrijk, de bekendste is deze en die tussen Martigny (Zwitserland) en Chamonix. Wat ’t wil zeggen weet ik niet, als ’t maar tof rijden is.
En dat is ‘t. Eerst nog een stukje langs ’t parcours waar de laatste tijdrit v.d Tour is gepasseerd, en dan de col zelf op, een smal baantje met de nodige kronkels, maar zonder echte haarspelden. Onderweg is er ff een “wauw” moment, als je voluit zicht hebt over ’t meer.


Wat later staan we boven, en is er zicht op de andere richting van ’t meer. Van hier vertrekken veel para-pentes, het meer is gekend als één v.d meest ideale plaatsen om deze sport te beoefenen.


Aan de kiosk koop ik snel een sticker, en ik zeg snel, want de uitbaatster gaat sluiten. Eigenlijk ging ze zelfs niet openen, maar ze moest hier toch zijn om te controleren of ’t onweer van deze nacht geen schade had toegebracht. Na m’n aankoop gaat ’t winkeltje onherroepelijk dicht voor vandaag, er staat te veel wind en ’t gaat de godganse dag regenen zegt ’t vrouwtje, voor welke zot moet ik dan openblijven? Ze heeft gelijk, ik heb nog geen kat op de baan gezien, ’t is echt wreed kalm op de weg.
Dan is ’t naar beneden, de grote baan op, om ietske verder aan ’t volgende colleke te beginnen, de Col de Tamié. Niks speciaals, maar ’t is een leuk alternatief voor de grote départemental die naar Albertville gaat. Het is nog altijd zwaar bewolkt, met af en toe een regenbui, de bergtoppen blijven in zwartgrijze sluiers gehuld.


In Albertville is ’t ff de N90 opduiken tot de afrit 36, ietsje verder begint de klim naar de Col de la Madeleine. Dit is echt lang geleden, heb deze nog maar één keer gedaan, en dat was op m’n allereerste motoreis, ook met Bart maar toen nog met onze Japanse buikschuivers. Ondertussen ook al zo’n dikke 6j geleden. Wat gaat de tijd toch snel.
Op de weg omhoog zien we het dikke wolkendek openscheuren, zou ’t dan toch opklaren, wie weet.



Alhoewel de baan nat blijft tot boven is de regen voorbij. Eens op de top zien we dat er beter weer op komst is, het zonnetje komt ons tegemoet.


Maar niet zonder ons op de eerste km’s van de afdaling nog is nat te sproeien, pas vanaf halverwege kan de gaskraan wat meer open, daar ligt de baan droog. En weet ik weer waarom de Madeleine een aanrader is, een combinatie van vlotte en snelle bochten, met af en toe de aangeduide haarspeld ertussen.
Alhoewel Bart bijna 2j niet gereden heeft volgt hij me zonder problemen, ’t gevoel komt terug zegt hij…
In de vallei is het via de départemental van La Chambre tot St-Michel-de-Maurienne, onderweg wordt er gestopt om te tanken en proviand te scoren, op de klim naar de Galibier zijn er verscheidene mogelijkheden om te pick-nicken.
Eens in St-Michel duiken we de weg naar de Télégraphe op, het obligate opwarmerke v.d Galibier, en nr. 3 van vandaag. ’t Gaat vlot omhoog, weinig verkeer, de weg ligt er droog bij, ’t duurt dan ook niet lang eer we boven zijn. Daar stoppen we dan ook en besluiten om onze pick-nick te nuttigen, aangezien er nog een tafel vrij is.


Maar wederom zijn we niet alleen, de wespen zijn terug van de partij. Wanneer we een Duits/Oostenrijks koppel motards de heuvel zien opklimmen met een zak vol etenswaren doen we teken, en delen we de tafel met hen, plaats genoeg. En dan kunnen die wespen misschien daar is proberen iets te pikken. Blijkt dat wespen een absolute voorkeur hebben voor hesp, en voor de geur van knackworsten. Man, je moet ze eerst uit de geopende verpakking meppen alvorens een volgend sosiske te nemen, of ge hebt prijs.
Op den duur is ’t niet leuk meer, we gooien dan ook een schelleke hesp en wat sap van die worstjes wat verder, en ze vliegen erop af dat ’t een lieve lust is.
Dat schelletje hesp verdwijnt al snel, en ze blijven nog een tijdje van dat sap slurpen, ondertussen is er tijd om wat fotookes te schieten.



Dan, de klim naar de Galibier. Ook alweer een tijdje geleden, zo’n drie jaar. Als ik ff nadenk moet ik besluiten dat ’t voor mij alweer twee jaar geleden is dat ik nog naar de Franse Alpen ben geweest. Veel te lang, ’t is hier gewoon zo fantastisch mooi, ze mogen nog zo lyrisch doen over de Dolomieten of het Gothardmassief, dit is mijn favoriete Alpenregio, without a doubt!
Net voor we aan de echte klim naar de Galibier beginnen, in Plan Lachat, nemen we de piste naar het Camp de Rochilles. De Denzel (het heilig boekje voor echte Alpenfanaten) zegt dat het voormalig legerkamp sowieso off limits is, maar het toch een mooie trip is tot aan de barrière. Zo hoog geraken we echter niet. Het pad is bezaaid met losse dikke stenen, de GSA springt en smijt zich van links naar rechts. Nee, het is te moeilijk met een volbeladen motor, we keren om, en laten dit stukje links liggen.



Terug de asfaltbaan v.d Galibier op, en da’s geen straf. Je begint direkt met enkele haarspelden en gaat zo de hoogte in. Als je dan terugkijkt zie je de piste liggen waar we net tot aan het eerste hutje geweest zijn, wacht maar, ooit geraak ik tot boven!


Verder de Galibier op, Bart vindt dit fijner rijden, hij heeft weliswaar weinig of geen problemen met het onverhard maar voelt zich véle malen meer thuis op het asfalt, wat dan ook zijn voorkeur geniet.


We zien de top v.d Galibier reeds in de verte verschijnen, alsook de refuge waar de korte tunnel onder de top is.


Maar die tunnel nemen we uiteraard niet, naar boven, daar is het te doen. En natuurlijk wordt er hier gestopt. Het uitzicht langs beide kanten is altijd de moeite.



We zetten de afdaling in, oppassen op ’t smalle gedeelte, maar eens je de top v.d de Lautaret ben gepasseerd (en da’s nr. 5 van de dag) is ’t gassen op de brede D1091 naar Briançon.
Onderweg doet m’n GS raar, ik krijg een geel waarschuwingslampke op m’n tableau, ff ’t contact uit en terug starten helpt niet. Aan de McDo van Briançon stop ik ff om is te kijken. Ik zie echter niets, start nogmaals en ’t lampke is weg. Prima, verder dan maar. Door Briançon, de Izoard op. Een heel mooie pas, perfect asfalt, zalige bochtjes, hoe hij er nu bijligt is ’t een echt feest! Volgende lente kan dit al veranderd zijn door de komende winter, hopen van niet.


Boven op de top raken we aan klap met enkele Belgische motards van rond Brussel. Ze zijn onder de indruk van de baan en staan te springen van adrenaline.
Ze vertellen me dat ze nog ff de Bonette gaan nemen, en dan terug naar Valloire gaan. Ik leg ze uit dat tussen de Izoard en de Bonette de Col de Vars ligt, en ze nog heel wat km’s voor de boeg hebben als ze dat willen doen, ze bekijken me beteuterd aan als ze dit horen, ze besluiten om dan maar terug te keren. Tja, een beetje voorbereiding en kennis v.d regio is toch wel onontbeerlijk als je niet voor zo’n verrassingen wil komen te staan. Wij gaan wel verder, en genieten van de omgeving en van de mooie slingerbaan.


We passeren nogmaals het Duits/Oostenrijks koppel vanop de Télégraphe. Hij op een 1150GS Williams, zij op een CB600F.
Eens beneden neem ik links de weg naar Château Qeyryas. Want daar begint een baantje dat ik wel is wil gereden hebben, de klim naar Sommet Bucher. Naar ’t schijnt deels pokdalig asfalt, deels onverhard, en zo blijkt ’t ook te zijn. Makkelijk berijdbaar, dat wel, maar als ik moet eerlijk zijn een beetje een teleurstelling inzake uitzicht.



Een oude bunker, die de weg naar de Col Agnel overziet, en dat is ’t zo een beetje. Bart gaat nog ff kijken langs de andere kant, maar daar is er enkel een klein stenen hutje te zien. Dan maar terug naar beneden. En onderweg heb je dan weer een leuk zicht op ’t oude stadje van Qeyryas.
Anyway, Col de Vars dan. De noordzijde is altijd plezant om rijden, mooie brede bochten, haarspelden die je makkelijk in tweede kan nemen, ’t gaat vooruit.
Wanneer we boven komen zie ik dat ’t winkeltje van ’t oude koppel gesloten is, spijtig, wil hier enkele stickers kopen. Een andere keer dan maar. Bart rust ff uit terwijl ik van de omgeving geniet.


De afdaling naar Barcelonette is ingezet, we rijden door St. Paul-sur-Ubaye, we passeren de afslag voor de Col de Larche, we rijden door La Condamine-Chattelard waar je de Parpaillon opkan, en voor we ’t weten zitten we in Barcelonette. Daar zoeken we een camping, ’t is perfect weer, en ik verwacht voor de komende dagen geen regen oid. Onze keuze valt uiteindelijk op een kleinere camping, in ’t dorp zelf, Camping du Peyra. Een oud maar uiterst vriendelijk vrouwtje is de uitbaatster, ’t kost geen geld, en het centrum en de eetgelegenheden zijn op amper 5min wandelafstand. Kan niet beter. We gooien de tent op, Bart blaast ’t grote luchtmatras op, om daarna te zien dat we ’t niet door de opening v.d tent krijgen, terug aflaten dus, en ter plekke opblazen. Gelukkig gebeurt ’t blazen dmv. een pompje op batterijen. De koffers gaan van de moto’s, en worden gebruikt als stoeltjes, dit omdat ik de eerste avond al door m’n el cheapo klapstoeltje zak. En zeggen dat ik dat onding nog maar enkele keren heb gebruikt.


’s Avonds gaan we ’t centrum opzoeken, op het kleine marktplein zijn er een stuk of wat restaurants, met overal plaats te over. We zitten duidelijk op ’t eind van het seizoen.
Een goeie lap vlees, allé, eigenlijk een vergissing want een “steak à cheval” is geen paardenbiefstuk maar eerder een hamburger, gebakken gehakt dus, en een goeie fles wijn later wandelen we naar de tent, en leggen ons te slapen. Morgen is ’t maar om 08u00 opstaan, we kunnen dus langer blijven liggen.
Maar, wederom worden we ’s nachts wakker, dit keer niet van een onweer, maar van een lekkend luchtmatras. We liggen beiden zo goed als op de grond, en moeten dan ook het pompje aanspreken om er terug wat lucht in te krijgen, het pompje dat overdag al niet stil te noemen is, maar ’s nachts toch echt wel heel luidruchtig blijkt te zijn. Althans, dat vermoed ik aan ’t gestommel te horen in de tent naast ons. Ach, de volgende keer dat ikzelf wakker word is het ochtend.

Dag 3: Een ommetje Bonette en de kip…

Yes, vandaag een leuk toerke doen, de Bonette op, en erover, om in St. Dalmas-le-Selvage aan de Col de la Moutiere te beginnen, en dan wordt ’t is kijken. Ofwel de makkelijke steenpiste naar de Bonette terug, ofwel de voor mij onbekende piste naar Bayasse nemen, die aansluit op de Col de la Cayolle.
Ach, we zien wel.
Wanneer we de tent uitkruipen valt ’t weer serieus tegen, de hoge bergtoppen zitten in de wolken, en de zon is afwezig. ’t Is dan ook niet echt warm, hoogstens een graad of 15. Dju, valt tegen!
In de weinige zonnestralen probeer ik me op te warmen, en terwijl een potje koffie te maken, oploskoffie weliswaar, dus niet te veel van verwachten. Maar soit, ’t is warm, het ruikt naar koffie, ’t smaakt min of meer naar koffie, dus zal ’t wel koffie zijn.
Na een uurke niksdoen, en langzaam ontwaken maken we ons klaar, en zijn we weg. Eerst nog tanken, dan richting Jausiers waar we aan de klim beginnen.


Na een km of vijf bochtjes pikken wordt de baan nat, een tegenvaller want het wegdek ligt er als een biljart bij, wat een passage v.d Tour toch allemaal niet kan doen.
We stoppen in een haarspeld waar we een mooi zicht hebben, en we nog net onder ’t dichte wolkendek zitten.


Het begint hier echt koud te worden, tijd om de winterhandschoenen aan te doen, ik vermoed trouwens dat ’t binnen de kortste keren ook nat zal worden. We rijden door, ’t weer wordt echt slecht, niet alleen begint ’t te regenen, maar er staat serieuze wind op. Sommige stukken, waar je niet beschut bent tegen de wind zijn aan een slakkegangetje, je wordt zo van de weg geblazen. En dat met soms amper 10m zicht, kalmaan, zo raken we er ook.
Onderweg slagen we er toch nog in om andere motards in te halen, zo ook het Duits/Oostenrijks koppel. Die hebben we vandaag al aan de naftpomp gezien, zij gaan vandaag tot aan de zee, wij niet.
Eens aan de top geraakt is ’t miserabel slecht, ijzig koud, minimale zichtbaarheid en een miezelregen waartegen niks bestand is.

Na een minuutje of vijf kou lijden beginnen we aan de afdaling, ’t is gewoon te koud om hier lang te blijven staan, en we horen van anderen dat het wat verder naar beneden redelijk mooi weer is. Hop, naar beneden dus. Door ’t Camp des Fourches, langs de plek waar ik vorig jaar met Bart naar de doortocht v.d Tour heb staan kijken, om op den duur vanonder de wolken te komen en een zonnetje te zien schijnen. De baan droogt rap op en enkele km verder is ’t zalig warm (in vergelijking met daarstraks toch) en kan ’t tempo omhoog. Ik twijfelde eerst om via Col de la Moutiere terug te keren, aangezien deze toch ook tot 2454m hoog gaat, en ik niet terug in dat wolkendek wil zitten, maar met die wind zal ’t maar een kwestie van een uur of twee zijn alvorens alles is weggeblazen. En er komen geen nieuwe wolken aan, perfect dus.
De Col de la Moutiere op dus, eerst een tien km smalle asfaltweg, die je door ’t hart van het Parc National de Mercantour voert, zie je ook aan de wilde natuur rondom je.


Op den duur geraakt ge boven, en ietsje verder is er de afslag. Rechtdoor naar de Bonette, die ondertussen volledig uit de wolken is, linksaf naar beneden, richting Bayasse.


We kiezen voor de onbekende route naar beneden, maar spreken af om wanneer één van ons ’t niet meer ziet zitten rechtsomkeer te maken, samen uit, samen thuis natuurlijk.
Dit is de piste rechtdoor, makkelijk maar heb ik reeds gedaan, tijd voor iets nieuws dus.


En dit is vanwaar we komen, links zie je de bunker en de eigenlijke top v.d Col, beneden rechts zie je piste naar Bayasse lopen.


En dit is Bart, die een vogelperspectief probeert te geven aan z’n foto’s.


Anyway, we beginnen aan de piste, op ’t eerste zicht lijkt ’t allemaal makkelijk, maar op den duur komen er toch enkele pittige passages voorbij, niets waarom je zou omdraaien maar toch heel goed moet weten wat je doet. Gelukkig staat m’n ABS af, want af en toe moet ik ’t achterwiel blokkeren om de vaart wat te minderen, je rijdt heel regelmatig over gewoon een grote hoop losse stenen ipv. een aangestampte en platgereden piste. Ik stop af en toe en kijk om om te zien hoe Bart ’t ervan af brengt, vergeet niet dat ’t voor hem allemaal nieuw is, dat onverhard gedoe. Hij trekt z’n plan, alhoewel hij bijna alles zittend doet, en ik meestal rechtop sta, ieder z’n manier.
Na een km of vijf, zes passeren we een bergchalet, waar net een herder met z’n troep schapen toekomt. Enkele honderden dieren, langs bijna alle kanten van de bergflank, met enkele honden die de boel in goede banen geleiden. Er passeert zelfs een ezel, waarschijnlijk het lastdier v.d herder als hij ver van de bewoonde wereld gaat zitten met z’n kudde.



Van hieruit lijkt de piste me prima te doen, en het feit dat de herder een doodgewone Peugeot 306 aan z’n chalet staan heeft doet me denken dat we het moeilijkste gehad hebben.
Op den duur geraken we beneden. Als die Peugeot ooit te koop wordt aangeboden, amai, die heeft ’t één en ’t ander meegemaakt, want zo makkelijk was de rest nu ook weer niet. Maar voor ons was ’t leuk rijden, soms zelfs redelijk uitdagend, maar al bij al doenbaar, een aanrader dus deze piste!



Nu, we zijn halverwege de klim naar de Cayolle, die kunnen we dan maar ook ff aandoen. Bart heeft honger, en ik denk dat er op de Cayolle een chaletje oid. met eten staat. Ook is ’t sowieso een mooie klim naar boven, langs de gekende brugjes en watervallen.


Eens boven zie ik dat m’n gedacht verkeerd was, er is gewoon niks van eetgelegenheid. Enkele foto’s nemen, zien dat ’t aan zee prachtig weer moet zijn, en dan maar terug naar beneden.


Op de weg terug naar Barcelonette passeren we een klein dorpke, met een terraske.


Stoppen dus, en na binnen op de deur geklopt te hebben komt er een oud vrouwtje opendoen. Als ik vraag of er soms iets simpel te eten is zegt ’t besje dat ze ons een stuk brood met hesp gaat geven, ik vind ’t super, we nemen er nog een frisdrank bij. Na enkele minuten in ’t zonnetje te genieten, en de kippen die hier vrij rondlopen te bekijken krijgen we ons stuk brood. Man, een half volwassen brood, ruw doormidden gesneden met een bot mes, zeker 50gr boter erop gekwakt, en dikke, verse schellen gedroogde, maar desondanks zeer zachte ham. Jawadda dadde, zo lekker dat ’t is, niet te geloven!
Ok, honger is de beste saus, maar dan nog, die ham smelt gewoon op je tong, zalig gewoon! Een klein beetje overschot geven we aan de kippen, ze lopen gewoon onder je stoel door, zich niet echt storend aan eender wat.


Regelmatig komen er andere motards voorbij, we zijn niet alleen. De meeste houden zich een beetje in, we zitten hier dan ook in een dorpje, anderen rijden dan weer vlot door.
Ik zit net te denken dat dit toch wel is verkeerd moet aflopen wanneer een 1200GSA met duo door ’t dorp dendert, zonder van de gas te gaan. Eén v.d kippen wil nog net de straat oversteken, en komt zonder pardon onder ’t achterwiel terecht van de dikke Beier, die gewoon stoicijns verder knalt, zonder zelfs te remmen of is om te kijken. Ik zie ’t voor me gebeuren, en m’n maag krimpt ineen bij ’t aanblik van het kippetje, dat zwaar gewond op straat achterblijft. Ik spring recht, raap ’t gewonde dier op, en zie dat ’t fataal is, ’t beest is reeds aan ’t stuiptrekken, niks meer aan te doen. Ik leg ’t beest in z’n ren, en enkele minuten later is het kleien diertje dood. Damn, ‘k ben er echt niet goed van, ondanks dat ‘t “maar” een kip is.
Lesje voor allen die dit lezen, zelfs al is ’t maar enkele huizen groot, in een dorp kan vanalles gebeuren, doe ’t gewoon ff wat kalmer aan, voor die 100m dat ’t duurt!
Anyway, wij gaan verder. Naar Barcelonette, de weg ernaar toe loopt voor de volgende km’s door een nauwe canyon, de Gorge du Bachelard. Een mooie, maar op sommige stukken héél smalle weg, ’t tempo is dan ook wreed op ’t gemakske, ideaal voor sightseeing, maar je let maar beter op de weg, wil je niet 50m lager in de rivier belanden.
Wanneer we terug op de camping zijn, zijn er nieuwe mensen gearriveerd, een Frans koppel met een motorhome, en een kat. Yep, een kat, en ze loopt gewoon los rond, zij ’t met een halskettingetje aan. Anyhow, ’t dier loopt gewoon rond zoals een hond, zij ’t dan wel met een statige en véél meer sierlijke wandel dan welke hond dan ook.


We hebben tijd zat, de één legt zich wat te rusten, ik ga een praatje doen met de uitbaatster van de camping, vraag haar oa. naar de Col de la Pare, en of hij met de GS berijdbaar is. Die hebben we nl. met de tweede Alplutsers willen doen, maar zijn op onze voetstappen moeten terugkeren. ’t Mensje bekijkt me met van die grote ogen en zegt me dat zulks absoluut niet kan, ’t is te voet al een moeilijke wandelweg, en met de motor gewoon onmogelijk. Ze vertelt me van de Parpaillon, dat die wel te doen is, ik zeg haar dat die voor morgen op ’t programma staat, samen met de Col de Valbelle, maar die kent ze niet. Ze is van Barcelonette, maar heeft bijna haar hele volwassen leven in Marseille gewoond, waar haar man werkte. Nu hij er reeds enkele jaren niet meer is, is ze terug naar hare thuis gekomen, en de camping overgenomen. Nu staat ze er alleen voor, en berust in ’t feit dat het allemaal niet meer zo makkelijk zal gaan. Ook dat ’t onderhoud een probleem wordt ontkent het mensje niet, den hof staat er redelijk wild bij.


Soit, rond een uur of zeven ’s avonds gaan we terug naar ’t stad, zetten ons deze keer op een ander terras waar een ietwat opdringerige ober ons vanalles probeert wijs te maken, terwijl hij ’t menu in ons pollen duwt. Op ’t randje van erover, maar net binnen de grenzen van ’t humoristische, z’n gedoe.
Het eten smaakt, het dessert is lekker, en de rekening valt goed mee, na ons fleske wijn te nuttigen kuieren we terug naar de camping. Daar staat ’t zelfde ritueel ons te wachten als de nacht ervoor, matras opblazen alvorens te gaan slapen, en zo tussen 3 en 4u ’s nachts wakker worden, quasi op de grond liggend, ’t pompke starten, den halve camping wakker maken, en proberen verder te slapen, wat me lukt…

Dag 4: Parpaillon, Valbelle en consoorten…

Wakker worden, en door ’t tentzeil het zonnetje zien verschijnen, zalig gewoon.
Het blijkt een mooie ochtend te zijn, her en der een miniscuul wolkje aan de lucht, kan gewoon niet beter zijn, ideaal om de Col du Parpaillon nog is te rijden, da’s ook alweer twee jaar geleden, en ik geniet nog altijd na.
Allé, eerst aan Bart vragen of hij ’t ziet zitten, blijkt ondertussen dat hij ’t off-roaden wel aankan, zonder problemen zelfs, maar er niet echt warm van wordt. Hij heeft gewoon liever asfalt, maar volgt me zonder morren. Ik mag m’n gang gaan, we doen dus de Parpaillon, en daarna zien we wel.
We hebben ab-so-luut geen haast, en ’t duurt nog zeker anderhalf uur eer we weg zijn, maar dan gaat ’t ook snel. Eerst terug tanken net buiten ’t stadje, en dan richting Col de Vars, waar we in La Condaminne-Chatelard de verdoefte asfaltweg naar St. Anne nemen, en dan de piste naar de Parpaillon opstuiven. Wat later staan we aan de eerste van twee houten bruggen, ff rondkijken, Bart ff polsen of hij er niet stillekes van aan ’t genieten is, nope, no such luck.
Dan weer verder, naar de volgende brug, waar je uit ’t bos komt, en over de rivier rijdt.


We pauzeren wederom, op ’t gemakske, van de omgeving en ’t goe weer genieten, fotookes maken, ook van één of ander kunstwerk, of onderdeel van iemands persoonlijke expressie, whatever.


De stilte wordt doorbroken, er komen andere motards aan, we kijken een beetje verbaasd op als ik zie dat er bij de 1200GS een Yamaha FJ zit, zo’n dikke powernaked voor puur op den asfalt. Awel, als diene over den top (zijnde de tunnel) geraakt, dan moet ’t met onze GS’en een fluitje van een cent zijn. Da’s toch altijd een geruststelling, zeker inzake de passage in de tunnel, die zelfs in putteke zomer nog altijd nat, glad en vettig kan zijn.
Wijle dan weer verder, naar boven. Onderweg stoppen we af en toe, gewoon, om van de fantastische omgeving te genieten.



We zien in de verte andere motards afkomen, had wel gedacht dat we met zulk mooi weer vandaag hier niet alleen zouden zijn. Enkele Italianen passeren ons, op een F650GS, op een CapoNord, en nog één op een weetiknietmeer.


Wat verder staan we voor een kudde schapen, schapen die met de piste meelopen en ze niet kruisen. ’t Kan dus nog ff duren eer we doorkunnen. Bart en de Italiaan op de 650, die we wederom gepasseerd zijn omdat hij foto’s aan ’t schieten was, komen ook toe. We wachten wat, maar de schapen blijven maar komen, en komen.


De Italianen vertrekken, we gaan mee, en hopen dat geen enkel schaap panikeert, en voor de wielen komt gelopen, ’t is diep vallen hier.


Op den duur geraken we door de kudde, en komen boven, aan de ingang v.d tunnel.



Hmm, toch weer een speciaal gevoel om aan die tunnel te staan, en de onlosmakende kronkel in de maag of je er wel gaat doorgeraken. Zelfs nu, in september kan er nog ijs liggen, de kans is klein, maar toch, in den donkere is je evenwichtsgevoel sowieso al wat afgeleid, en je moet niet veel hebben om zo’n dikke kolos op z’n cilinder te leggen.
Kortom, we beginnen aan de tunnel, zo voorzichtig mogelijk. Dankzij m’n berg lichten op de GSA valt ’t zicht goed mee, ik zie perfect waar ik rij, en behalve enkele plassen van zo’n vijf tot tien meter lang is er geen probleem. We bereiken dan ook de ander kant, na zo’n dikke 500m in de “mijnschacht” te hebben gereden.


De weg naar beneden loopt eerst door een weidse omgeving, waar koeien staan te grazen, en je mijlenver kan zien. Een prachtig contrast op de felblauwe lucht die boven ons te bewonderen valt.


De piste gaat verder naar beneden, nu door ’t bos. Af en toe zijn er enkele haarspelden die je moet nemen, maar dat lukt allemaal zonder problemen. Een kleine km voorbij het eerste asfalt stoppen we aan een chalet waar we kunnen eten. Een leuke plek, net boven ’t dorpje La Chalp. Op de foto’s her en der zien we dat er ’s winters ook mooie excursies te doen zijn, zelfs al ligt er een metersdik tapijt van sneeuw.
Tijdens ’t eten komen er enkele Italianen aangereden, motards die moto’s zien staan stoppen al wat makkelijker, tegen de tijd dat we vertrekken zit ’t terras dan ook driekwart vol met motards.
Tijdens de rit naar beneden stoppen we ff om van ’t uitzicht te genieten, ik ben langs deze weg al omhoog gereden, maar dan viel dit niet op, in de andere richting kan je er niet omheen kijken. Een prachtig zicht op ’t Lad de Sèrre-Ponçon.


Nu is ’t koers zetten naar St. André-d’Embrun, waar de piste naar Col de Valbelle begint. Een voor mij onbekende steenpiste, die langs de andere kant in Risoul 1850 uitkomt.
Eerst is ’t wat onduidelijk, de gps zegt langs de éne kant, de weinige pijlen zeggen langs de andere kant. Na wat over en weer gedoe zijn we op de juiste weg. Asfalt nog altijd, maar van de slechtste soort, met veel steentjes overal, soms zelfs gladder dan de piste.
Eens je in den bos zit, is er een splitsing, rechts gaat naar een pointe de vue, links is de piste die eerst Col de la Cloche passeert en daarna verder gaat tot de top op Col de Valbelle.
Toch maar is tot die pointe de vue rijden, we hebben tijd met hopen.
Eens daar geraakt is ’t de moeite waard, je hebt een zicht op de vallei v.d Durance van Mont-Dauphin tot aan ’t Lac de Sèrre-Ponçon waar de Durance in ’t meer stroomt. Je moet er wel ff achter de balustrade voor kruipen, best niet wegglijden, ’t is hier diep.


Daarna terug naar de piste, nu verder omhoog. ’t Gaat tussen de bossen door, mooie piste maar hier en daar een stukje waar je ff de volle concentratie nodig hebt.
Na een half uurke ofzo stoppen we ff aan een droge bedding waar de rivier gewoon over de weg loopt.


Verder tuffen, net wanneer we ’t bos verlaten verandert ’t karakter van de piste van iets wat nog makkelijk te doen is in een hoop rondgesmeten stenen waar je als een losgeslagen hobbelpaard overheen botst! ’t Is zo’n stuk waar ik abslouut met geen enkele mogelijkheid wil stoppen, of stilvallen. Gewoon ’t gas erop houden, en hopen dat ’t links en rechts botsen binnen m’n mogelijkheden vallen om de GSA rechtop te houden.
Het moeilijke stuk duurt een kleine km, eens ik er door ben stop ik om te kijken hoe ’t met Bart zit.


Ik zie ‘m nergens. Dju, da’s minder, hij is toch niet gevallen ofzo.
En dan zie ik ‘m, net aan ’t moeilijkste gedeelte, hij staat stil en heeft ’t niet makkelijk om te vertrekken, kan ik geloven. Ik kan ‘m bijna tot hier horen vloeken.


De rest tot boven verloopt vlekkeloos, het uitzicht is absoluut de moeite, we rijden over de skipistes en tussen de skiliften.




Je kan hier nog hoger, tot aan de hoogste skiliften, maar da’s verboden terrein. Aangezien ik ’t voor anderen niet wil verpesten hou ik me dan ook aan de verbodsborden.


De piste naar beneden is een verademing, als de éne kant een moeilijkhiedsgraad van 8 heeft, is dit amper 3 waard. Een perfect aangelegde en van een mooie steentjeslaag voorziene weg, die dan ook door gewone auto’s makkelijk kan worden gedaan.
Eens in Risoul is ’t terug op den asfalt, de eerste km’s is ’t ff wennen, zitten nu al een paar uur op steenpistes te dokkeren. De weg naar de vallei is leuk om rijden, al gaat ’t niet vlot, heb weer zo’n dag dat ’t niet lukt om één bocht mooi en vlot te pakken, Bart steekt me op den duur voorbij. Net dan zie ik volgend uitzicht.


De omwalde stad van Mont-Dauphin. Een prachtig voorbeeld van een versterking naar de hand van Vauban.
In de vallei staat de wind serieus te waaien, eens we aan ’t begin van ’t meer komen zien we hopen kitesurfers en windsurfers bezig.


Verder naar Savinnes-le-Lac, waar we de afslag richting Barcelonette nemen. Omdat ik de D954 langs ’t meer al enkele malen heb gedaan neem ik nu de afslag naar de Col de Pontis. Blijkt een smalle baan te zijn, absoluut niet geschikt om te gassen, maar eentje die wel een mooi zicht biedt op de het meer.



Langs de andere kant is dat colletje een heel technisch baantje, ik schat zo’n 20 tot 30 korte haarspelden, met soms amper 20m recht ertussen, ’t is een vermoeiende belevenis, maar absoluut een aanrader als je graag smalle haarspeldjes wil oefenen.
Dan terug op de grote weg naar de camping, ’t is nog een kwartierke tot Barcelonette, en we zijn content eens we op de camping arriveren.
Onze moto’s zien er lief uit, na een dagje stof happen.


Na ons gedoucht te hebben, en ons om te kleden gaan we nogmaals naar ’t stadscentrum, waar we voor de laatste keer gaan eten. Morgen is ’t naar Briançon. Ofwel is ’t naar ginder knallen, en in de namiddag gaan rondbollen, ofwel is ’t op ons gemakske en doen we ’t een dagje kalm aan. We zien wel, eerst ons fleske wijn leegtoeteren, en gaan slapen, al zij ’t wel in twee keren, ons matras zal zichtzelf niet herstellen…

Dag 5, naar Briançon, in de hitte…

Voila, op een gewoon uur opstaan, niet te vroeg, we moeten vandaag niet ver rijden.
Op ’t gemakske den boel opkramen, en de tent afbreken, ondertussen een bakje koffie maken en van de warme zonnestralen genieten. ’t Ziet er naar uit dat ’t een warm dagje zal worden.
Het plan om tot Briançon te knallen en in de namiddag nog wat rond te sjeezen wordt al snel terzijde gelaten, we gaan gewoon over de Vars en de Izoard, van de bochtjes genietend, en dan op ’t gemak een camping uitkiezen.
Tegen een uur of tien beginnen we aan het korte gedeelte van de terugreis, uiteindelijk is ’t terug huiswaarts bollen.
De eerste km’s is in volle zon, hetwelke z’n best doet om ons op te warmen, letterlijk, maar wat verder zitten we in vallei tussen stijle rotswanden, ’t zonneke geraakt niet tot hier, en in de lommerte is ’t serieus fris.
Net als ik denk om m’n warmere vest aan te doen zijn we door de kloof, en beginnen we aan de col de Vars. Langs deze kant ben je boven alvorens ’t goed en wel te beseffen.
Op de top zie ik dat ’t winkeltje van ’t oude koppeltje open is, ik koop me een resem stickers (waarvan ééntje voor GStephen op bestelling) en we kunnen weer verder, de noordflank afsjezen. En da’s altijd een plezier, daarvoor alleen al zou je de col de Vars nemen.
Nog voor de middag zijn we beneden, in Guillestre. Daar is ’t terug de Combe de Queyras door, eerst heel nauw en via een smal kronkelweggetje, hoog boven de rivier Guil (gekend voor het raften), wat later op een brede tweevaksweg aan 3-cijferige snelheden, met de rivier zowat naast je, mooi en afwisselend rijden.
Net voor Chateau-Queyras is ’t dan links afdraaien, naar de Izoard, rechtdoor is via ’t middeleeuwse dorp naar de col Agnel, da’s voor een andere keer maar weer.
’t Gaat lekker, ’t asfalt is net een biljartlaken, en ergens in ’t dorpje Arvieux worden Bart en ik verrast door een troep wagens die aan een Historic Rally deelnemen.
We zijn net te laat om een vertrekkende R5 Turbo en een Audi Quattro in de ouwe “zwart-grijs-rode” kleuren op de gevoelige plaat te zetten. We kunnen wel nog enkele bochtjes van de roffelende vijfcilinder en dumpvalve genieten.
Toch maar ff tussen de auto’s kuieren, sommigen zijn echte klassiekers, anderen dan weer zijn eerder ouwe auto’s waar wat aan geprutst is om ze op zo’n historic Rally voor te bereiden.
Anyway, foto’s zeggen regelmatig meer dan duizend woorden…



Ff een half uur ter plekke genieten van verschillende mooie bolides die vertrekken, ‘k ben content dat we toch de Izoard genomen hebben!
Soit, we gaan weer verder, stoppen niet op de top maar rijden gestaag verder, we gaan genieten van de lange afdaling.
Een beetje verder, bij ’t gekende meerke aan de Réfuge Napoleon, zie ik een wit/blauwe 1150GSA staan, de rijder merkt me op, en ik merk hem op, we zwaaien uitbundig naar mekaar, een leuk moment.
Weet hij veel dat mijn GSA z’n leven oorspronkelijk begon als zwart/gele.
De rest v.d afdaling gaat vlot, serieus vlot zelfs, we gaan aan een stevig tempo verder, de weg nodigt je dan ook uit tot een vlotte rijstijl.
Eens beneden gaat ’t gas terug dicht, we zitten in de bebouwde kom van Briançon. Ik weet een camping zijn op de weg naar Montgenèvre, we rijden dan ook rond de stad, en passeren de McDo. Toch maar ff stoppen, we hebben, na een droge koek en een bakje zelfgemaakte oploskoffie van deze ochtend, nog niks gegeten. Dan maar een burgertje, en een soort van milkshake, iets om de volgende uren mee door te komen.
Ondertussen is ’t echt warm geworden, de temperatuur ligt net onder de 30°C, je gaat dan ook niet in de zon zitten, gelukkig is er plaats op het terras, onder grote dekzeilen.
We blijven hier wel een uur zitten, haast is er niet bij, een camping zoeken, tentje opgooien en that’s it. We gaan vandaag niet meer rijden, ’t is gewoon te warm, en een beetje rust is altijd welkom. Ohja, en we gaan straks op zoek naar een outdoorstore, om elk een opblaasbaar matje te scoren, moeten we geen beroep meer doen op dat zelfaflatend luchtbed.
Op den duur kruipen we terug op de GS’en, ’t is nog een km of drie à vier, en ik kan de camping opdraaien. Ik kies voor dezelfde camping als dewelke ik vijf jaar geleden ook met Bart heb aangedaan, waren er content van, dus waarom niet.
We draaien ’t brugje over de rivier Clarée op, en rijden de camping op. ’t Is hier wreed stillekes, ook heet, nog warmer dan in ‘t stad, maar toch nog meer stillekes. Ik vermoed dat we hier op de ganse camping met amper een vijftiental personen zitten. En ik die dacht dat ’t op diene camping in Barcelonette al kalmkes was. ’t Hoogseizoen is echt wel voorbij.
We schrijven ons in, ’t is precies een beetje veranderd hier. Het locale restaurantje is gesloten, definitief, en de camping wordt stilaan afgebouwd. De uitbaters worden al een dagje ouder, en willen ’t kalmer aan doen. Da’s precies de doorlopende lijn in dit reisverslag.
We mogen kiezen waar we ons zetten, er is plek genoeg. We gooien de tent op, en zetten ons gerief onder de bomen, kwestie van wat in de schaduw te blijven.


Het zicht rondom ons is magnifiek, je zit tussen de bergtoppen, bergtoppen waar op verscheidene strategische plaatsen oude forten staan. Hier ’t fort Le Janus.


Sommige zijn min of meer bereikbaar, zij ’t soms met een lichte enduro, de klim naar Mont Chaberton is echter al jaren voor gemotoriseerd vervoer afgesloten, de piste die sowieso al niet makkelijk was is compleet in verval, die is voor altijd verloren. Respect voor de natuur en de andere pistegebruikers moet net daarom altijd hoog in ’t vaandel staan!
Nu, tijdens ’t gesprek met de uitbaters is onze €cent gevallen dat ’t zondag is, we mogen het dus officieel vergeten om naar een outdoorwinkel te gaan en een slaapmatje te scoren, nog een nacht op dat leeglopend luchtbed dus. Om ’t met kabouter Wesley z’n worden te zeggen: “Godmiljaar”.
Rond een uur of vier maken we ons klaar om de oude stad is te bezoeken, ben hier nu zo vaak geweest, en nog nooit in ’t oude gedeelte geweest, nu heb ik tijd genoeg. We moeten trouwens iets zoeken om te eten.
Met de GSA’s duiken we ’t oude stadsgedeelte in, zlang het geen voetgangerszone is blijven we rijden, we zijn motards, geen wandelaars hè.
Rijden door smalle straatjes, met heel nauwe bochtjes, op zoek naar een mooi uitzicht.



Mooi zicht heb je van hier, de complete vallei is perfect te overzien, ideaal voor een strategische positie.
Nu, tijdens de Tour de France, als er een aankomst is in Briançon, moeten de renners alvorens ze in ’t oude gedeelte over de meet rijden eerst nog een lange steile bergop afhaspelen. Ik ga op zoek naar die bergop. Blijkt dat het de hoofdweg is in de moderne stad.


Niks speciaals dus, een fotooke nemen, ietsje verder op een terraske iets drinken, ’t is nog altijd pokkewarm, en daarna terug naar de oude stad.
Daar zullen we wel een restaurantje tegenkomen, hoop ik.
We lopen de Rue Grande op en af, nemen enkele foto’s van een bizar maar heel knap gemaakt standbeeld, en vinden op den duur toch een plaatsje in ’t enige restaurant aanwezig.



We zitten goed, hebben een leuk zicht op het komen en gaan van de toeristen, en ’t eten is prima in orde.
We blijven hier enkele uurtjes zitten, ’t is hier goed, de hitte is verdwenen, een aangename warmte heeft zo’n plaats ingenomen. Tegen de tijd dat we terug naar de camping gaan is ’t zelfs frisjes geworden.
Wanneer we terug aan de tent staan zien we een Duitse Nissan met aanhanger, met daarop een enduromotor, denk een Suzuki. Wanneer we is ff gaan kijken floept de deur v.d Nissan open, blijkt dat de Duitser gewoon in z’n auto ligt te maffen.
Hij stapt uit, en we beginnen te babbelen, hij in ’t Duits, en wij ook, of toch een poging tot.
Wat ik versta is dat hij hier is om zowat alle mogelijke pistes te rijden, of ze nu verboden zijn of niet… Hij heeft reeds enkele pistes gereden, en vertelt dat de Jafferau moeilijk maar doenbaar moet zijn, meer moet ik niet weten.
Uiteindelijk kruipen we onder de wol, en babbelen nog wat na.
Een leuke dag, weinig km’s gemaald, maar veel gezien, van mooie classic cars tot een oude stad, goed gegeten en als afsluiter en leuke babbel met een bizarre Duitser.
Meer moet dat niet zijn…

Dag 6, Jafferau, Granon en een beetje geluk bij ’t ongeluk…

Op een deftig uur opstaan, we hebben vandaag enkele leuke dingen gepland.
Ten eerste moeten we naar ’t stad, daar is ergens, rechtover de McDo, een outdoorwinkel, en daar gaan we slaapmattekes kopen. Gelukkig zijn er ook goedkope mattekes, mijn Thermarest ligt thuis, en ‘k ga me geen tweede kopen, daarvoor zijn die dingen te duur.
Bart dan, die koopt zich wel een Thermarest, en gaat ’t zich niet beklagen. Whatever happens, vanavond gaan we deftig slapen, ’t zal nekeer tijd worden.
Nu, gaan tanken. Moet soms is gebeuren. Vermits we nu toch in Briançon zitten gaan we de dag beginnen met de klim naar de col du Granon. Een minder bekende bergpas, net buiten Briançon, maar wel eentje die doodloopt. De opengestelde zijde is volledig geasfalteerd, de andere, verboden zijde, is een mooie steenslagpiste die je via ’t dorpje Granon naar de Vallée de la Clarée brengt. Maar da’s dus gereserveerd voor wandelaars, ik denk zelfs dat fietsers persona non grata zijn. Soit, doodlopend dus, maar naar ’t schijnt geeft de top een prachtig zicht op de Barre des Ecrins, het bergmassief ten westen van Briançon.
En dat alleen is al reden genoeg om hier omhoog te rijden. Halverwege de klim, die in Chantemerle begint, maar waarvoor je beter op ’t rond punt in St. Chaffrey al de hoofdbaan verlaat, kan je trouwens de afslag maken naar col de Buffère en col de Cristol. Twee steenslagpistes, die volgens de Duitser te moeilijk liggen om ’t met onze zware GSA’s te doen. Die laten we dan ook letterlijk links liggen, alhoewel de goesting knaagt.
Maar we hebben andere dingen in ’t gedacht vandaag.
De klim is leuk rijden, een smalle maar degelijke asfaltbaan waar je met elke baanmotor naar boven kunt. En eens boven is er idd. een machtig zicht op de omliggende bergen.


Langs de andere kant zie je de (verboden wegens militair oefengebied) steenslagpiste lopen, net onder enkele oude militaire forten.



Toch maar is gaan kijken wat ’t verbodsbord zegt, als ’t enigszins vrij is voor interpretaie wil ik ’t wel erop wagen.


Damn, da’s redelijk duidelijk, nougabollen dus.
Dan maar terug langs de asfaltweg naar beneden, da’s ook geen straf zulle, ’t rijdt plezant, een echt GS-baantje.



Toch maar ff stoppen bij de afslag naar de steenpistes, ‘k ga ze nu niet doen, maar ooit wel, als ik een meer aangepaste fiets heb.


Dus, terug beneden is ’t wederom door Briançon, ik begin hier zelfs al de kleine baantjes om ’t stilstaand verkeer te omzeilen te kennen, en dan de col de Montgenèvre op, en over.
In Montgenèvre, het dorpje op de gelijknamige pas, probeer ik rechts de afslag te herkennen naar ’t fort du Gondran. Nu nog opengesteld voor verkeer, maar er zijn plannen om het hier ook een halt toe te roepen. Met dank aan mensen zoals onze Duitse vriend op de camping…
Soit, ik zie niks, ’t is toch niet voor vandaag die piste, veel te zwaren toebak als ik zowel dienen Duits als de Denzel mag geloven.
Langs de Italiaanse kant naar beneden, in Cesana links naar Oulx, en daar de gewone baan op richting Susa en Torino. Onderweg probeer ik iets te vinden om te eten, ’t is rond elf uur, den honger is er nog niet, maar gaat straks wel komen. Dorst hebben we niet, we hebben elk onze Camelbak volgegoten deze ochtend.
Ahja, ’t weer, wel ’t is eigenlijk gewoon zalig, een dikke 20°C, niet zo heet als gisteren dus.
Anyway, we komen niks tegen, ook niet in ’t ontieglijk klein dorpje Salbertrand, dat eigenlijk enkel en alleen gekend is door de afslag v.d grote weg naar het Fort Jafferau.
En die afslag is echt niet makkelijk te vinden, ’t is een klein keuterbaantje dat ge moet opdraaien. Tot aan ’t gehucht Moncellier is ’t nog asfalt, met putten en bulten, daarna is ’t gedaan met slecht asfalt, en is ’t stof happen. Allé, toch voor Bart die tweede rijdt, de piste ligt heel droog, en is voorzien van een stoffige laag kleine steentjes. Het rijdt vlot, zelfs de waterkeringsbulten die quasi dwars over de weg lopen zijn makkelijk te nemen, maar toch blijft ’t concentratie vragen, die steentjeslaag is verraderlijk glad.


Wel biedt de piste ongelooflijk machtige uitzichten, zowel over de vallei, als over de bergrug aan de andere kant v.d vallei. Daar loopt de Assietta route, ik zie zelfs het monument op de Testa Assietta staan, en de skiliften op col Basset.



Ook aan deze kant v.d vallei is ‘t indrukwekkend mooi.


We gaan verder, ’t is nog een lange weg voor we boven zijn. Een stuk verder komen we aan een splitsing. Links loopt de piste naar Monte Pramand, en ik vermoed dat rechtdoor ’t vervolg naar het Fort is. Ik hoop ’t toch, want die richting gaan we uit.


Ik hoop van binnen een km of twee de tunnel te bereiken, dan weet ik dat ik goed zit.
Nog voor de tunnel kom je op fantastisch mooie plaatsen, rechts de rotswand, een meter of drie piste, en dan een afgrond van enkele honderden meters diep. I love it!


Wat verder is er dan de tunnel, aangezien ik net gestopt ben om foto’s te nemen is Bart er al door, als hij ’t niet gehaald heeft zal ik ‘m wel zien liggen zeker.
Ik weet ook niet wat te verwachten in de tunnel, ligt ’t er mooi vlak (I doubt it) en droog (yeah richt), of is ’t hobbelig en nat. We zien wel.


En ja, ’t is hobbelig, kapot gereden betonplaten, modderstukken, en kletsnat. Wat zeg ik, ’t water loopt gewoon als een beek in de tunnel naar beneden, en valt in dikke druppels van ’t plafond uit. Kortom, ’t regent hier binnen.


Bart staat me op te wachten, en zet me op foto.


Een aparte belevenis, vergelijkbaar met de Parpaillontunnel, maar toch niet ’t zelfde. Deze draait onderweg, is bijna twee maal zo lang, en blijft continue stijgen. Of dalen, als ge naar beneden gaat.
Nu moeten we langs deze flank nog tot boven, daar volgen dan nog enkele km’s op de bergrug, om tot aan ’t fort, op de bergtop, te geraken. Althans, zo hebt ik ’t begrepen, info die je dmv. ’t internet overal kan vinden.
Wat verder zie je perfect de piste lopen, dan ’t gedeelte waar de tunnel is, alsook de bekende holen in de rotswand. Prachtig gewoon.



Af en toe zet ik Bart op foto, altijd leuk die actiefoto’s.


Na een minuut of vijf zien we een koppel motards zitten, hij op een dikke GS, zij naast een 650Dakar zittend. Ik vraag ze of ’t gaat, de man antwoord dat z’n vriendin gevallen is, en haar enkel serieus bezeerd heeft. Ze gaan proberen om langzaam naar beneden te rijden. Wij kunnen niets doen, ik wens ze succes en ga verder, behoedzaam, maar dat doe ik al de gehele klim, een ongeluk zit in een klein hoekje.
Wat verder komen we boven op de bergrug, en zien we in de verte het Fort op de gelijknamige bergtop liggen.


Je ziet de laatste km’s v.d piste, die in enkele haarspelden omhoog klautert.


We rijden nog een stukje verder, en stoppen net voor de laatste klim aan de haarspelden. We zien mensen op het fort staan, als kleine speldekopjes groot.


We zien ook enkele motards naar beneden rijden, de eerste gaat vlot, de andere doet ’t heel traag. Eens hij bijna bij ons is zie ik dat hij met een duo rijdt, verklaart veel natuurlijk.
Allé, ’t is aan ons om tot boven te rijden, en te proberen om tot op ’t dak te geraken, da’s mijn doel.
Wat verder begrijp ik waarom die tweede motard zo traag ging, dit laatste stuk ligt slecht, hier en daar heel slecht zelfs, bezaaid met dikke stenen, hier en daar nog de overblijfselen van de aanleg van een soort kasseiweg, die kasseistenen steken dan zo’n dikke 10cm boven de rest uit, vermijden dus, of kans op een kapotte velg. Kortom, ’t lukt wel zulle, maar ’t is genen koekenbak.
We zijn aan ’t fort, en zien, aan de rechterkant, een smal spoor naar boven lopen. Ongeveer zo’n 50cm breed, en geen foutenmarge, zowel links als rechts is ’t een val van enkele meter, om dan de bergflank verder af te stuiteren, niet zonder gevaar dus.
Ach, je leeft maar één keer, ff concentreren, ’t gas voldoende open, en ja, we staan op ’t dak van het fort Jafferau.



Het is gewoon fantastisch, ik voel me bijna Leonardo “I’m on the top of the world!” Dicaprio op den boeg van de Titanic, behalve dat mijn Kate Winslet nen ongeschoren kerel op ne GSA is die ‘k nie ga muilen
En dat ik niet op nen onzinkbare boot sta, die, o ironie, direct gezonken is, maar op een onverzetbaar fort, dat hier hopelijk nog véle jaren mag pronken op deze berg.
Het uitzicht rondom is ongelooflijk, langs de éne kant zie je de piste gedurende enkele km’s lopen, langs de andere kant zie je Bardonechia en de vallei waar de piste naar de Sommeiler loopt.



De Slovenen vertrekken, ze kicken en starten hun pure enduromachines, en stuiven de berg af. Een pak sneller dan wat wij gaan doen, ik vermoed dat hun vering beter bestand is tegen de rotte piste op ’t laatste stuk.
We blijven nog wat staan, we eten een Granny, want da’s zowat ’t enige wat ik mee heb. We moeten dus nog altijd iets voor middageten vinden, en hier boven is niet echt iets te vinden.



Op den duur vertrekken we terug naar beneden, het eerste stuk nog heel behoedzaam, de toch wel moeilijke klim in ’t achterhoofd.


Bizar genoeg gaat de afdaling véle makkelijker dan de klim, en we bereiken al snel de beter liggende piste, eens de haarspelden voorbij. Daar zetten we ons ff opzij voor enkele 4×4’s die komen aangereden, moet ook wel leuk zijn om zo’n piste op hun mannier te beleven.


De afdaling gaat vlot, zonder enige problemen. Wel komen we het Duitse koppel terug tegen, enkele km’s lager dan daar straks. Ik informeer naar hoe ’t gaat, en ’t gaat niet goed.
De vrouw kan niet meer verder, ze vrezen voor een breuk in de enkel. Ze hebben afgesproken met de eigenaar van de Defender dat zij straks mee naar beneden mag. Hoe ze haar Dakar beneden gaan krijgen weet ik niet, maar dat zal hen waarschijnlijk worst wezen dit moment.
Anyway, wij gaan verder naar beneden, zonder ons poten te breken ofzo, en staan op den duur terug in de vallei.
Eens in de vallei gaan we richting Susa, ik wil nl. via de Colle delle Finestre terugrijden. Die bergpas heb ik in 2007 al gedaan, en de laatste 7km voor de top zijn een steenslagpiste. In 2007 lag het steenslag gedeelte er beter bij dan sommige delen asfalt, dus dit is een zacht afsluitertje wat het “off-roadrijden” betreft.
Halverwege de klim stop ik ff, en hoor van Bart dat ik vergeten ben om naar een eetgelegenheid uit te kijken, damn, da’s waar. We zijn dus al van deze ochtend onderweg, zonder een deftig ontbijt, en Bart begint stilaan sterrekes te zien van den honger. Ik niet, ik geniet weer te veel van ’t rijden.
Tja, ‘t zal tot de andere vallei duren eer wen iets gaan vinden, da’s wel zeker.
Soit, de klim, een opeenvolging van korte stukjes rechtdoor, maximum 200m lang, en dan een korte haarspeld, niet echt m’n ding.



Onderweg worden we opgejaagd door twee motards op Japanse nakeds, type CB600F ofzo. Die mannen geven serieus van jetje, ik vind zeker niet dat ik traag aan ’t rijden ben, en zie ze dan weer korter bij komen, dan weer wat terrein verliezen. Wacht maar, eens ’t onverhard er aankomt zal ’t vele minder zijn met die baanmasjientjes.
Aan de overgang van asfalt naar steenslag gekomen staat er een bende motards te wachten, ik zie ook dat ’t verbodsbord van in 2007 verdwenen is. Ik stuif de piste op, om voor eens en voor altijd duidelijk te maken dat een GS in de bergen onverslaanbaar is, maar zo’n 500m, aan één v.d eerste korte bochtjes moet ik al van ’t gas. De piste ligt er domweg slecht bij!
Op de ietwat rechte stukken gaat ’t nog, maar in de haarspelden is ’t op eieren rijden. Dikke, losliggende stenen op de rijlijn, en duidelijk veel sporen van 4×4 voertuigen, die de haarspelden quasi omploegen. Oesje, ietske kalmer aan dus.


Desondanks leg ik er de pees op, elke haarspeld uitkomen is het een beetje driften, ’t gas open, en de schokbreker die op asfaltwegen staat afgesteld krijgt rake klappen. M’n achterwiel zit meer in de lucht dan op de grond. Is wel kicken, en ondanks dat ik stevig vooruit ga, blijf ik binnen m’n beperkingen rijden. Zolang alles goed gaat natuurlijk.
En dan gaat ’t fout…
Ik kom uit een haarspeld. Ik wil naar z’n tweede, en wil een bocht naar rechts aansnijden. Niet te snel, maar wel in tweede versnelling. Op ’t moment dat ik de koppeling loslaat, en ’t gas opendraai, en mezelf al iets naar voren op de motor positioneer (rechtstaand uiteraard) voel ik dat ik niet in tweede zit, maar in neutraal.
Aangezien ik al aan ’t anticiperen was op ’t vermogen dat ging komen zit ik te ver naar voren, het duurt een halve seconde ofzo eer ik m’n evenwicht op de GS hersteld heb. Maar die bocht komt wel akelig dichtbij. En ik zit nog altijd niet in tweede, of zelfs niet eerste, nee, gewoon geen tractie.
Ik besluit om te vertragen, of zelfs te stoppen, en gewoon te hervatten, en dan wordt ’t volgende probleem duidelijk. Bij ’t opstuiven v.d piste heb ik de tijd niet genomen om m’n ABS af te zetten, en dat wordt nu meer dan duidelijk. Ik rem uit alle macht, maar de dikke boxer dendert gewoon verder, over de middenlijn reeds, ik zit al aan de linkerkant v.d weg, hoop dat elk moment er toch wat rembeweging staat te komen, maar tevergeefs.
Ik ga bijna v.d piste af. Links ervan is een kleine gracht, zo’n 40cm diep.
Yes, ik sta net op tijd stil, met ’t voorwiel op enkele cm van die gracht.
Maar nee, net als ik dat denk glijd ’t voorwiel nog een cm of wat verder, de ondergrond brokkelt weg, en ’t voorwiel glijdt definitief in de gracht, zo’n 30cm lager. De GS, die al wat schuin tussen m’n benen stond gaat plots nog veel schuiner hangen, en ik kan m’n niet meer houden.
Boenk, op de stenen!
Alles gebeurt op een seconde of twee tijd, je hebt bijna geen moment om iets anders te bedenken, misschien had ik gewoon de bocht moeten insturen, en terug naar z’n één gaan, maar op ’t moment zelf leek het me beter om te remmen, en te hervatten. Niet gelukt dus.
Dar sta je dan, op een piste, met een dikke GSA op z’n kleppendeksel liggend.
Ff zelf proberen om ‘m recht te krijgen resulteert gewoon in m’n voorwiel dat nog verder in die gracht glijdt, ik moet ‘m dus eerste een halve meter op de piste trekken, en dat kan ik in m’n eentje niet.
Ik wacht dus ff op Bart, al snel hoor ik enkele motards afkomen, het blijken Duitsers te zijn, waarschijnlijk diegenen die bij ’t begin v.d piste stonden te wachten.
Ze helpen me om met z’n drieën de GSA terug op de piste te trekken, en helpen ‘m daarna overeind. Ik dank de mannen uitvoerig, Bart komt aangereden, en ziet me nog net bezig de motor rechtop te zetten.
Buiten enkele krassen op ’t kleppendeksel heeft de GSA niets, en we rijden verder tot de top, zij ’t ietsje kalmer dan daarnet.
Tja, heb er geen foto’s van genomen, maar ik kan je verzekeren dat ’t ff een spooky moment was. Boven op de top sta ik nog te trillen op m’n benen van adrenaline. Ik doe m’n uitleg aan Bart, en zie ‘m denken “ja, da krijgde als ge gelijk ne zot een piste opstuift”, en kan ‘m eigenlijk geen ongelijk geven, Als je op de limiet van je kunnen gaat balanceren is een klein iets voldoende om je over de ran te duwen, hier gelukkig niet letterlijk!
Anyway, boven geniet ik nog is van ’t uitzicht.


Aan de andere kant v.d top kun je na enkele km rechtsaf draaien, de Assieta route op.


Bart ziet ’t niet meer zitten, genoeg steenpiste voor vandaag zegt hij. Hij heeft gelijk, en we rijden de berg af via de asfaltweg, da’s ook geen straf hoor.
Eens in de vallei gaat ’t gas weer open, heerlijke brede baan met mooie lopende bochten tot boven op Sestriere, genieten dus.
Ik zie een snackbar, en vraag Bart of ’t goed is om te stoppen, hij kinkt uitdrukkelijk van ja. De man ziet scheel van de honger, en hij bestelt dan ook twee broodjes. Voor zichzelf. Ik hou ’t bij één, da’s voldoende tot het avondeten. Na nog wat te zitten napraten gaan we weer verder, de baan naar de Colle di Sestriere op. Het skidorp zelf stelt niets voor, we rijden dan ook gewoon door, terug richting Oulx, en weer via de Col de Montgenèvre Frankrijk binnen.
Heel leuk rijden, zeker de afdaling vanuit Sestriere naar Oulx is een aanrader, en een uurke later staan we, na een lang dagje, weer op de camping.
We ontdoen ons van onze motokledij, trekken ’t luchtmatras uit de tent, en plaatsen onze slaapmatjes, dat zal al vele beter slapen dan dat lek onding. Nu is ’t nog wat genieten van ’t zonnetje, ’t is niet heet maar gewoon aangenaam warm vandaag.
Nog wat ronddolen, een uitgebreid douchke nemen, en we zijn klaar om in ’t locale gehucht te gaan eten. Blijkt toch niet dat ’t al gesloten is zeker! Miljaar!
Lap, wat nu gedaan, dan maar terug de motorvest aan, en naar Briançon stad op zoek naar een open restaurant. Gelukkig vinden we nog iets, ’t is wel een chick ding, maar daar veeg ik m’n voeten aan, we nemen plaats op ’t terras en genieten van een weliswaar lichte maar lekkere maaltijd. Ohja, en de beste crème brullé die ik van m’n leven al gegeten heb.
’t Is al laat, en donker wanneer we terug op de camping geraken, de rit van vandaag heeft z’n sporen nagelaten, niet alleen op mijn GSA, maar ook bij ons. We zijn moe.
We kruipen al snel de tent en onze slaapzakken in, en wat later gaan de oogjes toe, ’t was de moeite vandaag…

Dag 7, the long way home…

Redelijk vroeg opstaan vandaag, we beginnen aan de terugreis. Geen idee waar we straks gaan slapen, we zien wel hoever we geraken, ik heb gewoon een algemene richting in m’n hoofd.
Tentje opplooien, de slaapmatjes oprollen, die heerlijk gediend hebben, en ons klaarmaken, ’t gaat vlot, en een kleine uurke later zijn we op de baan.
Het eerste stopke dient zich aan op de Col du Lautaret. De lange baan vanuit Briançon tot hier leent zich perfect tot een uiterst sportief tempo, we zitten direct in ’t goeie ritme.



De Galibier laten we terzijde, we gaan verder richting Bourg-d’Oisans. Aan ’t Lac du Chambon slaan we rechtsaf, we nemen de minder gekende klim naar Alpe-d’Huez, de kant van de Col de Sarenne. Net na de afslag moeten we door ’t dorpje Mizoen, waar we een mooi zicht hebben op ’t stuwmeer.


Allé ja, mochten er geen lelijke electriciteitskabels in ’t zicht hangen. Soit, we gaan verder, over een smalle weg. Hier ergens ligt nog een mooie steenpiste, die naar Chalet Josserand loopt, zal voor een andere keer zijn, maar niet voor vandaag.
De uitzichten zijn de moeite, daarvoor moet je eigenlijk deze weg nemen, de baan zelf is niets speciaals.



Op den duur zijn we aan de top, op zich een teleurstelling, maar als je een meter of tien op de hoge berm klimt heb je een machtig mooi zicht op de omliggende bergen en sneeuwkappen.


De weg zelf loopt van hier door een kleine vallei, en gaat dan weer omhoog, net voor je in het wielergekke skidorp arriveert.



In Alpe d’Huez zelf stoppen we om iets te eten en te drinken. ’t Is lekker warm, ’t zonneke is volop van de partij. We wringen ons tussen de horden fietsers, en bestellen een pasta, die er op de kaart vele malen lekkerder uitziet dan wat we in een kartonnen bekertje in onze handen geduwd krijgen.


Maar, ’t smaakt wonderwel, en dus klagen we niet.
Na een uurke ofzo op ons gat gezeten te hebben zijn we weg, de afdaling is ingezet.
’t Is hier heel plezant bollen, de baan ligt naar goede gewoonte perfect, en elke bocht is een waar genot, zelfs de haarspelden die breed genoeg zijn. De weinige fietsers onderweg geraak je makkelijk voorbij, ondanks dat die gasten ook wel serieuze vaart hebben in den bergaf.
We rijden tot beneden, nemen gedurende enkele km’s de D1091, ofte de oude N91 en slaan na 8km rechtsaf, de klim naar de Col du Glandon en de Col de la Croix de fer is begonnen.
In Allemont passeer je ’t eerste stuwmeer, het mooiste is echter het hoger gelegen Lac du Grand Maison. Daar pauzeren we dan ook ff.


Vanaf hier is ’t niet ver meer naar de Col du Glandon, die passeer je sowieos als je naar de Col de la Croix de fer moet. Toch maar ff halthouden, leuke herinneringen hier.


De afdaling van de Glandon loopt vol met schapen, ’t zijn er wel honderden.


Maar we gaan die kant niet op, nee, we gaan nog iets hoger.



En da’s weer eentje voor aan m’n lijst toe te voegen. Eentje met een prachtig zicht op de bergpieken dan nog wel. Het ijzeren kruis is wel verdwenen, spijtig.
Ik voel me een beetje slapjes, denk niet dat ik vandaag heel ver ga geraken. Net als ik dit tegen Bart zeg bekijkt hij me, ik weet al hoe laat ’t is, hij wil naar huis.
We spreken af om te proberen, maar als ik me tegen vanavond echt niet veel beter voel ga ik ’t niet bruskeren. Ik ga geen marathonetappe rijden in den pikkedonkere als ik me nu al vermoeid voel. Soit, we zien straks wel…

Nu naar beneden, en da’s eerst tot in St-Jean-d’Arves, om ietsje verder rechts te moeten nemen, naar de vallei via de Col du Mollard. Blijkbaar zijn de werken in de tunnels nog niet klaar.
Die Col du Mollard zelf is echt niets om naar huis over te schrijven, de weg van daar tot in de vallei daarentegen, da’s geen flauwe bedoening.


Spijtig genoeg bezaaid met pekstrepen allerhande, maar wel puur bochtenplezier.
Eens in de vallei is ’t richting Chambery, de ganse weg met zon in je ogen. Nog een geluk dat m’n donker binnenvizier in m’n Systeem6 helm goed z’n werk doet, of ik reed hier weer met één hand voor m’n helm rond. Heb ik hier ooit al is moeten doen.
Eens op de D1090 gaan we tot St-Pierre-d’Albigny, daar nemen we rechtsaf en gaan we over de Col du Frène. Aan de afslag is ’t ff pauzeren aan de oevers van een mooi meertje, ’t is warm genoeg om erin te willen duiken, ’t zonneke geeft katoen.


De tijd gaat snel vooruit, van op schema te zitten is al geen sprake meer, we stoppen regelmatig, ik voel me nog altijd niet beter.
De route loopt via Le Chatelard, Rumily en Fragny. Over een afstand van ong. 70km doen we meer dan een uur, er is veel verkeer op de baan, en ’t schiet niet echt op.
Rond 17u stoppen we nogmaals, dit keer met een laatste blik op de Alpen.


Bij de volgende stop zitten we alweer op de E21, de autosnelweg die we zo’n week geleden ook genomen hebben. Ik eet m’n buikje rond, en voel me ter plekke beter worden, toch een appelflauwte ofzo. We gaan naar huis, ’t is van hier nog zo’n kleine 800km, moet wel lukken me dunkt.
De duisternis valt als we tussen Lons-le-Saunier en Dijon zitten, ik zet m’n extra xenons op, maar blijkbaar vinden niet alle automobilisten dat een moto veel licht moet hebben. Tja, zij hebben makkelijk praten, als ze een dier oid. raken is hoogstens hun bumper stuk, als ik in den donkere een dier meepak lig ik op m’n smoel tegen 140 over ’t asfalt te schrapen, een klein verschil toch.
Het gaat vlot, maar m’n GSA zuipt als een Zwitser, ik zit aan een verbruik van zo’n 8’halve liter, da’s veel te veel voor goed te zijn? Ik moet bijna volgas geven om lekker 140 tot 150 te kunnen aanhouden, de GSA moet dus dringend eens binnen op controle, ik vermoed dat m’n bobijnen hun beste tijd hebben gehad. [Uit later onderzoek zal blijken dat ik gelijk heb]
23u30: We zitten reeds in Luxemburg. Da’s altijd kortbij, en toch nog veraf.
Van hier is ’t in twee stints tot thuis, eerst nog is in Aire de Wanlin stoppen, voor ’t obligate koffietje, en een laatste foto


Een dik uur later sta ik terug thuis, de 800km autosnelweg zijn voorbij gevlogen, ik voel me goed, het dipje is definitief verdwenen. M’n vriendin en m’n katten staan me op te wachten, zoals gewoonlijk is ’t home, sweet home.

0

Your Cart