Selecteer een pagina

NVDR: Dit reisverslag is voor de verandering niet door mezelf geschreven, maar door één van de medereizigers. Kwestie van het eens vanuit een ander perspectief te bekijken.

Ergens begin dit jaar kreeg ik zo toevallig min of meer in de mot dat de sterren dit jaar erg goed stonden voor wat betreft een motorreis doorheen Marokko. Een persoon genaamd Philip – al jaar en dag verliefd op het verkeerde motormerk (iets met een B…) – was daar de afgelopen jaren al een keer of twee geweest. Hij had dus ervaring met nachtboten, douane- en politietoestanden, paperassen, pistes, logementen en diarree. Een derde keer ginder gaan rondsjezen met een off-roadmotor was iets wat hij zeker wel zag zitten. En ik mocht mee. Omdat met twee maar met twee is – bij het nemen van beslissingen is dat bvb erg vervelend omdat het kan gebeuren dat er geen meerderheid is – dacht ik er aan om een derde lotgenoot te zoeken. En voorwaar, Bert had daar eveneens niet echt een probleem mee.
Een datum was eigenlijk ook vrij snel geregeld, met name van 10/10 tot en met 25/10.
En dan moest alles praktisch natuurlijk geregeld worden eh.
“Hoe geraken we daar” was de eerste uitdaging. Keken we op internet naar de datums van de ferries, we spreken voorjaar 2015, dan zagen we slechts tot in mei datums… tja, zo is het vrij moeilijk om vooruit te boeken natuurlijk. Elke maand opnieuw bekeken we de ferry-sites en elke maand opnieuw moesten we concluderen dat de datums weliswaar alweer een maandje in de toekomst waren opgeschoven, maar oktober bleef een veraf gelegen lege maand. Uiteindelijk bleek begin september oktober dan toch gevuld geraakt te zijn. Wij blij als een ei! Nu konden we eindelijk kiezen uit diverse havens, diverse formules en diverse datums. Na een intense avond of twee bleek al gauw dat die maatschappijen duidelijk géén rekening gehouden hadden met onze specifieke datums. Kortom we vonden geen boten die op het exact goede moment in de exact goede haven vertrokken om naar een exact goede Marokkaanse haven te varen. So WTF nu? Wel, eigenlijk feitelijk was er nu maar één oplossing meer, eentje die ik sowieso al als favoriet had aangestipt : de oversteek in Algeciras, waar je ter plekke tickets kan kopen, waar geen reservaties nodig zijn, waar elke twee uur of zo een boot vertrekt. Zo gezegd, zo gedaan. De boot was belist.
Maar hoe kregen we onze moto’s zo ver? Een grote remork van VSC.be bleek hier het ideale gereedschap. Voor 400 euro konden we dat ding 14 dagen aan de wagen hangen. Ehm, wagen? Jep, ook dat hadden we dus nodig. Berts Volvo V70 bleek hier de beste (en enige) keuze te zijn : zware stabiele wagen met veel koppel, ideaal om zware stabiele remork te trekken waarop drie moto’s staan.
Boot: check. Wagen: check. Remork: check. Moto’s: check. Maar de puzzel was nog niet compleet…. waar moesten we dat zwaar materieel achterlaten? Veertien dagen lang zomaar langs ’t straat parkeren was zeker geen goed idee. Uiteindelijk vonden we een camping in de buurt van Algeciras bereid om onze wagen en aanhangwagen in bewaring te willen nemen. Het was niet gratis, maar oh, wat is nu 20 euro per week?! Dus dat was ook: check.
Al wat we moesten doen was onze bagage pakken en wachten op de ochtend van de tiende….

Eindelijk breekt De Grote Dag aan : zaterdag tien oktober 2015 om iets voor zes uur ’s ochtends staat er aan ons deur iets heel lang en laag, met een scharnier in ’t midden. Het betreft een Volvo V70 met daaraan een megaremork. Het is een superding van VSC(.be) dat werkelijk geniaal in elkaar zit. Met plezier plaatsen we de drie moto’s er op.

Right, ready to go !
Ow, wachtekeej, der is precies iets met dat achterwieleke van dat ottoke, dat ziet er een beetje plattekes uit.


De lokale bandenboer had dan wel geen nieuw exemplaar liggen, maar een half versleten band was gelukkig wel in de goede maten beschikbaar. Twintig minuten later was ook dat geregeld en we konden opnieuw proberen vertrekken. Nog efkes rap pissen, wat kusjes uitdelen en naar buiten, de auto in. Daar moeten we ons nog even verlossen van een hysterische trien die GI-GAN-TISCH van haar oren maakt omdat we toch wel de volle tien minuten half voor de entree van haar binnenkoer staan, maar dan kunnen we eindelijk de baan op.
Frankrijk is Frankrijk, de moeite niet om daar foto’s van te plaatsen. En Spanje ’s nachts, tja, daar is zoveel te zien als aan de Leeuw van Waterloo ’s nachts….. Kort gezegd : een kleine 24 uur na ons vertrek waren we al aan ’t sjezen langs de Costa Del Sol, waar er blijkbaar niet enkel elk jaar opnieuw miljoenen toeristen rijpen, maar ook olijven. Tientallen kilometers langs zien we niks anders dan autowegen en olijfboomgaarden. Indrukwekkend!



We krijgen ook een heel mooi zicht op een echt spookdorp, met tientallen betonnen skeletten, met op borden in koeien van letters SE VENDE. Een beangstigend voorbeeld van de enorme crisis waarin Spanje verkeert.


Tegen half een – we zijn dus zondag – draaien we eindelijk de camping op. Die mensen weten al op voorhand welke kiekens er gaan arriveren en daardoor loopt alles lekker gesmeerd. Spaans kennen is hier niet nodig, want dit is een “overwinter”-camping voor vele Britten. Het restaurantje biedt zelfs enkel pubfood aan, en op Saterday Nights komen er zelfs authentieke ouwe Britse Croonerzangers en zo hun ding doen, aangemoedigd door diverse oudjes.
De camping is goed voorzien van een mooi zwembad, een mooi restaurant en een rechtstreekse toegang tot het grote en kilometers lange strand.




De rest van onze zondag wordt gevuld met het opzetten van onze tent en het afladen en prepareren van onze moto’s. De auto en de remork worden veilig geparkeerd op het domein, mooi in het zicht van de receptie.


De ochtend erop kopen we in Algeciras onze tickets in het kantoor dat ons werdt getipt en gaan we lekker aanschuiven in de haven.


Er zijn mensen die zo’n Afrika-reis duidelijk héél ernstig nemen:


Ze moeten zelfs niet uit hun wagen komen om hun banden af te laten of op te pompen. Hoezo contact met de locale bevolking????
De boot zou om 13u uitvaren. Zo ongeveer op dat moment begonnen ze hem te laden met vrachtwagens, die stuk voor stuk achteruit moesten oprijden. En stuk voor stuk schraapten ze tegen de laadbrug en stuk voor stuk moest de vering omhoog, of omlaag, of terug normaal gezet worden…. afin, dat duurde wel een tijdje eer wij erbij mochten….en de boot van 13u vertrok daardoor maar ergens rond 16u…


Over de bootreis kan ik niks speciaals melden. En over de douane aan Marokkaanse zijde ook niet. Om 18u waren we eindelijk aan ’t rijden Afrikaans grondgebied.
Nu moet je weten dat het daar in oktober rap donker wordt. En behoorlijk vroeg ook. Dus om 19u begint het te schemeren en om 19u15 is het daar pottezwart. Dat verklaart waarom we bij nachte arriveerden in “de blauwe stad”, met name Chefchaouen. Daar vonden we per toeval een zalig hotelleke: hotel Zouar, van een Marokkaanse man en zijn Spaanse madam.


Er bleek daar een tamelijk markante kerel te logeren, te overwinteren zeg maar. Het was een licht bejaarde Italiaan die al vele malen in Afrika had rondgereden. Dit hotel was sinds enkele jaren zijn vaste winterstek geworden, omdat Marokko zo goedkoop is en omdat je er zo gemakkelijk aan wiet kan komen….. in de zomer verhuurde hij parasols op het strand in Italië en in de winter verbleef hij in Marokko.

Ik ga u niet verder lastig vallen met details over het hotel, of over het avondeten en het ontbijt, allemaal overbodige informatie.
De dag nadien kunnen we eindelijk “op reis” in Marokko. We zijn verdomd al dinsdag zeg!


We komen een tof gebouw tegen aan een kruispunt, en besluiten daar af te slaan. Ons eerste kleine leuke stuurwegje!



Mooie kleurkes, saaie bouwstijl:


In een dorpje waar we tanken en wat drinken, voel ik mijn hart koud worden en mijn ogen worden groot als schoteltjes. Ik ben de paspoorten vergeten in hotel Zouar !!!! :yikes: Dankzij mijn foto van de voorgevel waarop hun telefoonnummer stond, konden we ze bellen en daar bevestigden ze de vondst. Ik was zo stom geweest ze in het nachkastje te leggen en vaneigens hadden we er niet meer aan gedacht. Het dorp (Lamjaara?) had gelukkig een heus commissariaat waar Bert probeerde ze te overtuigen om ons een officieel attest mee te geven. Dat hielp niet echt waardoor er maar één oplossing was : de rapste van ons drie moest die paspoorten gaan halen in het hotel…. Dus ik repte me zo snel als mogelijk naar Ouezzane en van daar naar Chefchaouen. Op de kruispunten moest ik wel opletten, want letterlijk elk kruispunt in verstedelijkt gebied had zijn autoke met twee verveelde agenten! De twee anderen reden rustig verder richting Fez, en we spraken af dat we per sms contact zouden houden. Anderhalf uur later stond ik in Chefchaouen, en omstreeks kwart voor vijf ving ik de terugweg naar Fez aan, over grote wegen, zo rap mogelijk zonder zot te doen…

Nog iets over de structuur van vele dorpen : meestal is de hoofdstraat van asfalt. De zijstraten en alle andere zijn dat niet, die zijn gewoon van “berg” of grond of kapotgemalen stenen. In Lamjaara bvb lag het benzinestation in de asfalten hoofdstraat maar het commisariaat lag in een onverharde parallelstraat waar erg veel volk was, en stof en stenen…


Hier hebben we een aantal typische verschijningen op één foto : een volgeladen ezeltje, een oud mannetje in een jas-met-pinnemuts en de kleurijke derriëres van enkele Marokkaanse dames. Mijn verdomde schroom en gène houdt mij steeds tegen om die mensen frontaal te fotograferen.


Volgende foto toont een “leeg” Marokko, ergens langs de grote weg (de N13) richting Fez getrokken.


Er was een smsje binnengekomen dat Bert en Philip een overnachting in een hotel in Sefrou genomen hadden, een 30km voorbij Fez. Ondertussen was het al aan het schemeren en ik begreep dat ik in het donker door de avondspits van Fez zou moeten rijden. Nu, moeilijk is dat niet want er geldt daar maar één regel : “There are no rules!” Dus na een kwartiertje links en rechts iedereen voorbij flitsen was ik erdoor. Oef! Wie zegt dat drukke steden onmogelijke avondspitsen hebben?

Sefrou zelf is een niemendal… don’t go there. Er zou maar één hotel zijn, en daar wil je niet slapen. De kamers zijn groot genoeg, de prijs redelijk ok, maar ze geven geen ontbijt. Erger is wel dat je er in de “badkamer” een longschimmelinfectie kan oplopen, als die beestjes je al niet in je slaap overvallen… Pas op, dat badkamerhokje was op zich erg fotogeniek, ik heb er – met ingehouden adem – leuke foto’s getrokken, maar het stonk gelijk of het afvoerputje van de douche rechstreeks bovenop een beerput was gemonteerd…. om kotsmisselijk van te worden. Slapen hebben we dus gedaan met wagenwijd open vensters….



Avondeten hebben we genuttigd in restaurant Oumnia, bereikbaar via een klein deurke in een zijstraat van de hoofdstraat. Ge komt dan binnen in een ruimte die door één grote TL-buis verlicht is, en waar 20 of 30 sombere mannen met (zelf)moordneigingen (afin, volgens hun blik toch) u temidden van de rook zitten aan te staren. Ge negeert dat allemaal en focust u rustig op de patron/garçon die u hartelijk welkom heet en – enkele trapkes op – naar de eetruimte troont. Ook daar was er exact één TL-buis. Muziek stond luid en was een elektronische variant van het klassieke Arabische gejingeljangel, waarbij overslaande stemmen en langerokken tremolo-klinkers uitermate belangrijk zijn. De mannen zingen met vrouwenstemmen, en de vrouwen met mannenstemmen. Weird. Op de vraag wat ze te eten hebben, zeggen ze “alles”. Tja, jullie weten allemaal dat hoe meer keuze er is, hoe moeilijker het is om te kiezen, dus als ze zeggen “alles”……. mor afin, we slagen er in om een hoop rauwe groentjes te bestellen en iets biefstuk-achtigs. Het is tevens de eerste en laatste keer dat we in Marokko bier te drinken krijgen!

Lag het aan het eten, lag het aan de 400+ km van de dag ervoor, lag het aan het flitsen door de spitsen, feit is dat ik goed geslapen heb.
De dag nadien genoten we met volle teugen van een lekker ontbijtje aan een winkeltje in de hoofdstad van Sefrou.




De pannekoekskes waren ter plekke gebakken door een Marokkaanse [strike]schone[/strike] en met liefde en confituur bestreken. Mjammie!
En toen was ’t moment aangebroken om nog wat dirhams uit de flappentapper te halen. Bij Philip en Bert ging dat vlotjes, maar mijn kaart had duidelijk zin in een avontuurtje. Of zou ik toch ergens iets stoms gedaan hebben? Feit is: na dertig seconden verscheen de melding dat mijn kaart was ingeslikt. Ah, is toch niet erg, het kantoor is toch open? Dus ik naar binnen, en jawel hoor, na “maar” een dik uur had ik eindelijk mijn kaart teruggekregen van de vriendelijke kantoormeiskes.


Rapper kon helaas niet, want de procedure om buitenlandse bankkaarten terug te geven is niet eenvoudig! Om te beginnen moesten ze al uitvlooien wat de procedure was. Dat bleek voor een deel uit x kopiekes te bestaan van mijn identiteitskaart, mijn paspoort, mijn handtekeningen erbij, nog een extra documentje invullen… en als klap op de vuurpijl moest de bankdirecteur zijn persoonlijke toestemming geven! Die natuurlijk de hele dag afwezig was… Dan maar de bankdirecteur van een ander kantoor opgesnord, die speciaal voor mij naar de andere kant van ’t stadje mocht komen afzakken… gewoon, om mijn eigen kaart aan mijn eigen te mogen afgeven…. afin, na nog eens mijn kaart in het hol van de bank gestoken te hebben, kwam er eindelijk geld uit. Hoera! En wijle weg, het was alweer elf uur in de “ochtend”…
Doel van vandaag was Midelt, waar de piste naar Cirque de Jafaare ligt. Een zeer beroemde piste omdat ze door een prachtige kloof gaat waar de stenen zo groot zijn als de reuzenpompoenen waar onze kleine boerkes grote prijzen mee verdienen. Internet zit vol van youtubes waarin ge 4wds ziet sukkelen om erdoor te geraken. De verwachtingen waren dus hooggespannen!
Soit, eerst was er nog een klein dagje rijden, langsover een tamelijk hoog plateau – waar zelfs een ski-slagboom was en een ski-oord, goed verborgen in een bos. Het was er nogal friskes ook, dus toen we begonnen reutelen van de kou deden we onze fleece aan. Na alweer enkele tientallen kms begonnen we opnieuw te klappertanden en deden we onze gore-texvoering over die fleece, en een uurtje later was de handvatverwarming aan de beurt! Voorwaar een koud stukske Marokko, en dat in oktober!


Het dorp Zaïda reden we alweer binnen langs de grote entree.



We stopten er vooral om wat warme koffiekes te drinken. Het was er vrij druk en er passeren veel vrachtwagens, wagens, allerhande andere gemotoriseerde vervoersdingen en ook oudjes. Die gingen wat trager.


Midelt was niet zover meer, de rit ernaartoe was weer lekker aangenaam van temperatuur en in de vroege vooravond arriveerden we aan hotel Asmaa, lichtelijk verbijsterend luxueus.





De prijs was 900 dirham als ik me niet vergis, wat zo’n 90 euro is, voor een driepersoonskamer met avondeten en ontbijt inbegrepen. 30 euro de man half-pension, dat lukt u niet in Europa volgens mij.

Vanuit onze kamer hadden we een schoon zicht op het Atlas-gebergte. Dààr moesten we morgen door/over/rond/in.

Allez hop, donderdag: De Grote Dag!
We gaan de Cirque aanpakken.
Het ontbijt krijg ik nauwelijks door mijn keel, mijn favoriete stoel blijkt het toilet te zijn… zouden we lichtjes zenuwachtig zijn?
Niet versaagd, de drie helden gaan op pad.
Een dertigtal leuke en vlotte kilometers verbinden Midelt met de Cirque. Het zijn onze eerste pistekilometers en we zullen het geweten hebben. Niet alleen staan onze banden te hard, we sukkelen ook nog wat onhandig over het terrein, hoe goed het er ook bij ligt.




Na die 30 something kms dalen we af in de Cirque. De afdaling gaat vrij vlotjes, onze éénsporige voertuigen hebben veel minder misérie dan de vierwielers die erop moeten letten dat de grote stenen niet tegen hun onderkant kloppen.



Beneden arriveren we in een gortdroge rivierbedding, de GPS stuurt ons erover heen en meteen weer naar boven. De klim opwaarts gaat erg vlot en het volgende uurtje zijn we druk bezig om die berg over te geraken. Heel erg eenvoudig is het niet, omdat de regen van de voorgaande dag voor een laagje modder gezorgd heeft, wat maakt dat ons bandenprofiel nogal snel volloopt en de moto alle kanten doet uitglijden. Doch, in Wales heb ik tijdens het greenlanen al erger meegemaakt, dus ça va eigenlijk.


Toch zijn er de nodige frustraties…. er heeft zich nl. weer een ferm avontuur afgespeeld onderweg.
We waren nl behoorlijk goed bezig met uit de Cirque bergop weg te rijden toen er plots een bruine jongeman, een 20 something, ons heel luid roepend en gebarend tegemoet kwam gelopen. Hij leek wel in een halve paniek. In zijn beste Frans was hij ons aan ’t uitleggen dat de weg naar Imilchill afgesloten was door overstromingen en dat we de andere piste moesten nemen want dat we niet meer verder konden. We negeerden hem en reden verder. 500m verder keek ik in mijn spiegel om te zien waar de rest was. Tot mijn verbazing bleek die kerel vollenbak aan het meelopen zijn, de berg op, door de modder… nog maar eens stoppen afin. Opnieuw zijn uitleg, wij opnieuw zijn uitleg beu en voort. We komen aan een “afsluiting” die met enkele grote takken heel primitief gemaakt was. Ik sleur er één aan de kant en rij verder. Nu moet je weten dat ze ginder wel degelijk de gewoonte hebben om doodlopende of té gevaarlijke pistes af te sluiten met een rijtje stenen of zo, dus ik begon me af te vragen of we er wel goed aan deden om verder te gaan. Maar tegelijk wist ik uit ervaring dat je die lui niet altijd mag geloven. Ze maken je graag leugens wijs om zich dan te laten betalen voor het gidsen rond de moeilijkheden. Maar goed, we zouden wel zien hoe het zat met die overstromingen. Dus de tak ligt aan de kant en ik rij verder. Bert komt in de verte aan als laatste, en mijn ogen vallen bijna uit mijn kassen als ik in mijn spiegel zie dat er iemand bij hem achterop zit! Hij heeft die kerel toch niet meegenomen???
Een eind verder zie ik dat Bert weer solo rijdt, die ander is verdwenen. Gelukkig maar. Zonder veel andere toestanden arriveren we eindelijk aan het eind van deze piste en toucheren we weer asfalt. Tijd voor wat rook en wat water. Dan horen we van Bert dat die sluwe zwarte kerel Bert’s jas vanonder zijn netje heeft gestolen! Die had tijdens het meerijden wat zitten prutsen aan dat netje, en was dan onder ’t rijden van de moto gesprongen en de heuvel afgestormd! Bert kon niet anders dan gewoon voortrijden, die kerel was op zijn eigen terrein, en het jasje was – gelukkig – eigenlijk al erg oud en dus ook niks waard. Maar toch was het een sneu moment, opnieuw een bewijs dat je die kerels helaas niet zomaar mag vertrouwen!


Als de rook om ons hoofd wat is verdwenen, begint het ons te dagen dat we die nauwe moeilijke kloof precies niet zijn tegengekomen. Well FOK, hoe kan dat nu???
De enige logische oplossing is dat er ginder beneden aan die rivierbedding een splitsing is, en dat wij die niet gezien hebben. We zijn gewoon de rivierbedding dwars overgestoken en we hebben zo onbewust en onwetende de “simpelste” manier uit die Cirque de Jafaare genomen. Duh! Moesten we daarvoor zoveel zenuwen hebben???? Gelijk hoe, dat roept om een revanche!

Goed, de Cirque hebben we achter de rug. Ge kunt u zich nu afvragen: zijn we enkel dat onbetrouwbaar creatuur tegen gekomen?
Wel degelijk “neen”. Tijdens de afdaling in de Cirque waren er al 2-3 herders die ons om een sigaretje kwamen vragen toen we efkes van onze kamelenzak aan ’t lurken waren, dan was er dat onbetrouwbaar kereltje, verderop een moedertje met vuil kindje die wat kleren of iets dergelijks vroeg en daar bij die verkeersbordjes kwam er ook eerst ene een sigaret vragen en wat later stopte er een kleine bestelwagen om met ons een praatje te maken.
Sociaal contact gegarandeerd ginder!
Zoals je op die verkeersborden niet kan zien is het nog 124 km naar Imillchill. Dat is nog héél, héél ver vanaf dat bordje. Niet in kilometers, o neen, maar wel uitgedrukt in minuten, stenen en liters zweet…..

Zodus, in onze aanloop naar de beruchte rivierbeddingkloof kan ik u nog enkele landschappen presenteren:


En dan komen we aan ’t begin van de rest van de misérie van de dag. Om één of andere reden is deze kloof een grote wilde woeste kolkende watermassa als ’t regent. Ooit liep er een schoon asfalten wegske van de ene kant naar de andere kant, maar da’s wel al een paar jaar geleden. Wij zijn van “Noord” naar “Zuid” gereden en hebben wat er van de weg overschoot zien “wegsmelten”. Hieronder bvb zie je nog tamelijk goed waar de weg liep/loopt, je kan er zelfs over rijden.



Maar hier kan je zien dat het toch niet echt helemaal meer klopt. Wie goed ziet kan de moto’s van Bert en Philip zien, twee nietige puntjes en behoorlijk diep daaronder de bedding. Ik ben al daar op ’t hoogste punt twee keer op mijn smikkel gegaan met mijn zwaar lomp ding.


Die rivierbedding richting Imilchill was echt vorte kloterij. De KTMs waren daar te lomp en te zwaar voor, dat of wij hadden gewoon te weinig spierballen en te korte benen. Soit, we hadden over een vrij lang stuk over de overschot van de weg kunnen rijden, maar na die “piste” zo hoog langs de bedding was ’t gedaan en moesten we onze weg zoeken tussen de miljoenen stenen waarmee de bedding gevuld was. Af en toe ging dat “vlot” omdat er door 4×4’s al een vaag spoor was gevormd, maar af en toe zaten de KTMs serieus te stampen en te bokken over voetbalgrote blokken terwijl wij – vooral ik dan – lichtelijk wanhopig probeerde mee te peddelen. Op een gegeven moment zag ik het ècht echt echt niet meer zitten. Dat was voor mij persoonlijk erover. ‘k Had de KTM al drie of vier keer platgelegd en kreeg dat niet ding meer omhoog, de stoom kwam uit mijn oren van de hitte en de hartslag wou zijn eigen record slaan. Tijd om onder een boomke te bekomen, terwijl Bert te voet op verkenning ging. Hij kwam met verhoudingsgewijs goed nieuws af en daarom werd beslist van verder te dedderen. Nu begon ik aktief mee te speuren naar die 4x4sporen want die stenen waren ietskes meer platgereden. En mits wat goed kijken kon je die inderdaad terugvinden, zelfs in het zeer heldere water dat maar zo’n 20cm diep was. Op die manier zochten en reden we verder en na een paar kilometer konden we dan eindelijk de rivier verlaten over het asfalt.
Vanaf daar hebben we een ZEER zeer mooie rit gereden, door berg en dal, bij ondergaande zon, langs hele arme pure dorpjes en Marokkaantjes. Dit hoekje van Marokko moet tot de mooiste van het land behoren. Dat was een weg van vele tientallen kilometers lang geloof ik wel, één superlange gigantische op die rivierbedding doodlopende weg!
Enkele sfeerbeelden van de rivierbedding waar we doorgeklauterd zijn.





De rit hierna was puur genieten.




We deden af en toe ook een colletje. We reden recht naar de zon, en al mijn ruiten waren vol stof : mijn bril, mijn zonnebril, mijn dubbel vizier aan zijn vier kanten, de stofbril…. veel zag ik niet want de weg was stoffig en ik was de laatste en de zon scheen in mijn ogen :mrgreen:


Een goed eind later kwamen we in een dorpke terecht, Bou Azmou, waar we efkes gingen beraadslagen. Zonsondergang was alweer op komst en scenario’s werden besproken : in het donker doorrijden over het asfalt tot in Agoudal, ergens kamperen, ergens logeren… en vaneigens komen ze ondertussen goeiedag zeggen en “tout va bien?” vragen. Eén van die mensen heeft ons dan meegekregen naar de herberg van zijn kozzen. Dat was Auberge Talifalt.



De uitbater – met z’n witte verplegerjasje, dikke snor en groene pet op noemden we hem Mario (Bros) – kende alleen Berbers en Arabisch, maar de kozzen – dat was dan natuurlijk Luigi – was een behoorlijk goede talenkenner dus met hem gebeurde alle blabla. Het was daar best ok, propere kamers, proper sanitair, lekker eten. Echt geen plek om bang te zijn van besmettingen.
Achteraf bekeken heb ik maar van één ding spijt: dat we de uitnodiging om een berberhuwelijk bij te wonen hebben afgeslagen. Zonde om een uitnodiging om iets dergelijks authentieks èn ongedwongens geweigerd te hebben. Daarvoor had ik best een dagje pisterijden willen afslaan. Pistes liggen het jaar erop nog, maar de kans dat je zo’n uitnodiging nog eens krijgt is erg, erg klein…

De dag erop, we zijn alweer vrijdag de 16de, worden de plannen nog eens serieus bijgesnoeid. De pistes over Jbel Sarhou worden geannuleerd wegens veel te hooi op onze voorvork. Recht naar Tafraoute is het plan, zo recht mogelijk het hete, zanderige, benzineloze Marokko willen we in. Geen idee om welk uur exact we vertrokken, maar dat zal wel ergens rond half tien gehangen hebben. We zijn duidelijk drie tamzakken die met geen stokken uit ons bed te krijgen zijn, zelfs niet met schone vooruitzichten. ;-)
Opnieuw schuiven de prachtige landschappen voorbij, ne mens zou er een Google Streetmap-auto voor willen hebben!





Na verloop van tijd roetsjen we de Gorge du Todra in. We komen van de “bovenkant”, de toeristen worden en masse via de onderkant aangevoerd, in buskes met Marokkaanse gidsen en chauffeurs. Geen wonder dat er hier dan ook een pak verkoopsstandjes te zien zijn en wandelende snuisterijenverkopers. Grappig genoeg worden wijzelf met onze “stoere” moto’s zèlf een deel van de attractie.


Lang blijven we er niet, we stomen alras door naar Alnif, de toegangspoort tot de Grote Leegte. Dit dorp was overladen met verveelde Marokkaanse mannen… ze slenterden, sloften, sleepten zich vooruit. Ze hingen en lagen in alle mogelijke tamme houdingen op de grond of over het straatmeubilair. Plaats maken? No way maat. Kruipt er maar tussen!


In Alnif vertrok er een behoorlijk mooie piste richting Tazoulet, waar er een andere piste op ons wachtte. Dat eerste pisteke was een “short cut”, zeg maar de schuine zijde van een rechthoekige driehoek.
Het was er leuk rijden, de KTM voelde er zich thuis, vering en demping waren subliem in harmonie met het wegdek en het was bijna gelijk rijden op asfalt, zoveel feedback was er.


Efkes een fotoke van een vervallen huis, da’s wel de leute aan die eco friendly bouwsels: ze keren vanzelf terug tot het stof waaruit ze gemaakt zijn.


Hier Bert onder zo’n accaccia-struikboomding, het zonnetje scheen behoorlijk hard op ons bolletje! Als ge zo de hele reis bekijkt, hebben we verdomd veel tijd verloren met al dat sigaretten-gedoe :mrgreen:


Deze tweevakspiste loopt als een liniaal recht naar ’t zuiden naar en door Fezzou. Lijkt “pies of keek” maar de lol was dat dit een wasbord-piste was. Da’s een beenharde piste met ambetante ribbels elke halve meter of zo. Je moet dan op de voetjes gaan staan en een snelheid zoeken waarbij de vering/demping van de moto die ribbels afdoende weggefilterd krijgt. Bij de KTM’s was dat zo’n 70-80 per uur, maar de arme Terra vond zijn draai niet waardoor Philip tevreden moest zijn aan 40-60 per uur, en dan nog rammelde hij compleet door elkaar.


Een keer voorbij Fezzou veranderde het landschap vrij sterk, het zand was duidelijk in opmars. Het duurde dan ook niet lang of er lag wat zand in de weg…


Jep, de wind kwam van rechts en de weg die al weg was, was nu nog een beetje meer weg, warmpjes toegedekt met een zwerfduintje. Eroverheen gaan was ietske te zot, dus werd er besloten om de piste te verlaten en rond de zandhoop te rijden. Dat is gelukt, en ik ben maar twee keer op mijn bakkes gegaan. :whip:
Een zandhoop verder was lager en het leek alsof ik erover kon rijden…


Na vier van zo’n zandtoestanden was mijn humeur weer beneden alle peil, maar gelukkig was ’t dan toch afgelopen met die zandtoestanden.. Wie denkt dat de polders plat zijn moet trouwens maar een keer naar hier komen kijken…


Tegen een uur of zes waren we dan eindelijk in Tafraoute geraakt, waar een paar brommers meteen gelijk vervelende bromvliegen rond onze kop begonnen vliegen. Ze vroegen ons de pieren uit de neus, wilden ons de goeie piste naar Merzouga wijzen, wisten logement zijn, wilden ons benzine aansmeren, wilden ons gidsen naar de Oued (=rivierbedding) en dat bleef maar zagen en rond onze oren brommen en circuleren. Echt echt ultra vervelend, want wij wisten perféct waar we naartoe moesten. We moesten gewoon dat purperen lijntje op onze gps volgen!
Ne keer Tafraoute voorbij begon het vaneigens te schemeren en tot overmaat van – lichte ramp – waren de sporen behoorlijk zanderig geworden. Dat ging niet echt vlot vooruit, terwijl er nog steeds van die brommende horzels rond onze oren jaagden. Grrr! Uiteindelijk echter waren we in de buurt van Hassi Fougani, een “auberge” in de meest simpele vorm van het woord. Zie het maar als een campinggrond met een lemen muur er rond. Gezien het late uur, gezien onze vermoeidheid en honger was het niet meer dan logisch dat we in deze auberge onze intrek zouden nemen.





In het gebouwtje werd ons eten opgediend. Licht kwam uit een gasfles, het eten uit het primitieve keukentje. De uitbater was een echt toffe tiep, ne zalige vent, helaas met een kruk. Drie jaar geleden was ‘m omver gekegeld door een wagen en zijn been was op vier plekken gebroken. Dat hebben ze zo goed en zo kwaad mogelijk aan elkaar getimmerd en gevezen, maar we hebben zo’n vermoeden dat ze ginder ietske minder moeite doen om zo’n breuken weer perfect recht aan elkaar te krijgen. Het idee is wellicht dat ge genezen zijt van zodra ge aan één kruk genoeg hebt ….
Het eten was verdomd lekker : een gigantische tomaten-met-ajuinensnippers-schotel en een berg kippensateekes, buiten op ’t vuur klaargemaakt.




Slapen deden we buiten, op de binnenkoer, in ons tentje. Dat was de eerste en enige keer dat we ons kampeermateriaal mee hadden… heel de reis hebben we onze roltas voor één kampeernachtje meegezeuld. Hadden we dat eerder geweten… :-)
Het was ten andere niet eens zo’n gezellig nachtje. Er stond een grillige maar harde wind en die joeg zand in onze tent. De tent geheel gesloten houden was echter ook geen tof idee want het was toch wel verdomd warm! De tenten waren ook niet echt fabuleus opgezet want we hadden zo’n wind vaneigens niet zien aankomen, dus alles flapperde er maar op los, terwijl het zand in ons oren en ogen en neus vloog. Not funny, grrrr…

Zaterdag 17/10, op naar Merzouga!

Merzouga is voor veel pistegangers het nec plus ultra van hun reis om de simpele reden dat dit zo min of meer de enige plek is in het noordelijk deel van Marokko waar je een beetje de sfeer van opsnuiven van een èchte Sahara. En eigenlijk is Merzouga de naam van het stadje dat erbij ligt. De eigenlijke naam van dit 10km op 50km grote duingebied is Erg Chebbi. Het is een fantastische erg grote zandbak waar de hoogste duinen tot 150m gaan, wat al zeker niet slecht is ! Deze zandbak is ommuurd met enkele tientallen kasbah-achtige hotels, je hebt maar uit te kiezen!

Maar goed, daar zijn we dus nog niet… we moeten eerst nog tot voorbij de Oued ed Daoura geraken (naam gepikt van Google maps) en dan onze weg vinden naar Taouz waar het asfalt weer begint.
Die Oued is behoorlijk berucht, omdat die om te beginnen vrij breed is – reken op wel tien kilometer – en omdat ie zelden helemaal droog staat. Nu is er één ding dat je NIET wilt hebben en dat is vast zitten in de blubber van een rivierbedding… Afgezien van die blubber bevat die oued ook vervelend veel zand en ook daar zijn we geen favoriet van…. Nu, het geluk lacht ons min of meer toe: één van die vervelende Dockerbrommernozems is de broer van de bekrukte auberge-eigenaar. Die kerel kent zeer zeer weinig Frans, maar hij kent die regio gelijk zijn broekzak. Aan de stand van de bergen kan hij zien hoe laat het is, bij wijze van spreken. :mad: Ook die oued heeft geen geheimen voor hem. Een extra reden om hem in te huren is dat het purperen lijntje blijkbaar langsheen een zwaar verzande piste gaat. Langsdaar willen we echt niet gaan, vertelt men ons in de herberg. Vandaar dus : we vertrekken deze ochtend in het zog van een brommerke-met-tulband-en-teenslippers.
Kort samengevat kunnen we zeggen dat Philip zich rot geamuseerd heeft in deze zandbak – het ging gewoon veel te traag voor hem, Bert deed het op zijn rustige kenmerkende wijze onopvallend erg goed en ik stierf duizend doden omdat mijn wielen en mijn moto en mijn bagage en mijzelven in al dat zand alle kanten uitvlogen… Ik heb géén zand gehapt maar het heeft niet veel gescheeld. Ik kan u nu ook wel enkele ervaringen en tips delen.
– voorzie zachte bagage als ge u aan zandtoestanden waagt. (voor het waarom, zie het volgende puntje)
– als uw voorwiel beslist om de moto in het zand te laten bijten, zet dan geen voetje om de moto tegen te houden, want dat voetje zakt weg in het zand terwijl de moto nog wat meters vooruit duikt, waardoor uw poezelige voetje geklemt geraakt onder uw bagage achteraan, en dat kan wel eens een verkeerde wring geven. Is uw bagage een harde koffer, dan kan je er vrij zeker van zijn dat uw enkel naar de kloten is. Maar met zachte tassen plooit uw voet, en al de rest ook, dus ge kunt uw voet zonder erg vanonder uw moto trekken.
– probeer de moto niet op uw eentje recht te zetten, verloren moeite, de wielen vinden geen grip in dat zand, het is er te heet voor, de moto is er te zwaar voor, uw drinken is te kostbaar, uw hartslag moet onder controle blijven, etc….
– ga er van uit dat ze u eerst niet gezien hebben en doorrijden, trek het u niet aan, ze komen wel terug als ze wat om u geven.

Afin, dat zijn dus de tips van een ervaren zandhapper, niet echt boeiend, niet echt hoopvol, maar gelukkig was het in de namiddag een beetje beter. Dat vertel ik u achter een paar fotokes.

Hier dus zat mijne moto een eerste keer vast in het zand. Die twee grapjassen zaten trouwens ook vast dacht ik, of op zijn minst Bert.


Om mijn KTM uit deze situatie te redden hebben we twee spanriemen vastgebonden aan het kofferrek, dan de moto in eerste gezet, en terwijl de achterband naar grip zocht, hebben Bert en Philip uit alle macht de moto naar voren getrokken. En dat ging nog ook!
Bert zijne moto zat eigenlijk nog een beetje vasterder, en daar heeft sletsman pas ècht zijn meesterschap getoond. “Mag ik het ne keer proberen”, vraagt ‘m aan Bert. Bert kijkt zo’n beetje verbaasd, maar ja, waarom niet? Dus slofman – een ventje van misschien 1m60 – kruipt voor de eerste keer in zijn leven op zo’n torenhoge 950S met 98 wilde pk’s en minstens 250kg met alle bagage erbij, zet dat beestje in eerste, laat ‘m wat toeren maken en dan – truk met de foor! – laat de koppeling met rukjes aangrijpen, waardoor het achterwiel hap hap hap in ’t zand bijt, grip vindt en zo happend de moto uit de zanderige zone rijdt, staand op de steuntjes. Prachtig om dat te zien!!! In een open-mond-staan-kijken-wedstrijd zouden we zéker de top drie gewonnen hebben.
En nog maar ne keer vast, tot aan ’t carter nu.




Tjah, en hier was de ketting van brommerboy gebroken. U leest het goed: gebroken! Midden in de Oued, want zover waren we al geraakt. Hoe ging ‘m dat repareren? Ewel, ge neemt ne steen, ge neemt de twee kanten van de gebroken ketting, wringt dat wat in elkaar en met de steen mept ge de schakel weer op zijn plaats, met de valbaar als aambeeld… :sterrekes: ‘k peis da’k mij voor mijn volgende reis zo’n Docker ga kopen… :bowdown:


Uiteindelijk geraakten we rond de middag aan de overkant van de oued (niet dat ik het begin of ’t einde ervan gezien heb) waar de auberge Ramlia was. Dit moet één van de meest bekende auberges in Afrika zijn. Oersimpel, maar toch kan je er eten, drinken en tanken. En vliegen en kinders van je lijf slaan.




We hebben zo’n anderhalf uur gebleven denk ik, colaatje gedronken, appel gegeten, een tweetal grannytjes gegeten.
Uitzweten.
Bekomen.
Opdrogen.
Dat stukske was vèr buiten onze comfortzone geweest.
Maar ne mens is een wonderlijk wezen, het ene uur is ‘m aan ’t sterven, het andere uur rijst ‘m als een herboren Fenix uit het zand op en knalt ‘m over de pistes gelijk ne Cyril (Ciryl? Cyryl? Ciril?Cyriel????) Deprez. En effet, gelijk ze ’t in Frans zeggen: ’s middags was echt superbien cool. Op één of andere manier had ik onbewust een enorme “klik” gemaakt in mijn hoofd. We weten nl. bijna allemaal dat er in zand maar één iets helpt om erdoor te geraken: snelheid. Hoe rapper ge rijdt, hoe sterker de gyroscopische werking der wielen en hoe moeilijker uw moto van zijn lijn afwijkt. Kortom: als ge een zandplek ziet moet ge een bérg gas bijgeven en in volle acceleratie knal je door ’t zand, klief je erdoorheen, laat je de moto pendelen rond zijn evenwicht en hang je tegelijk zover mogelijk naar achteren om dat voorwiel zo licht mogelijk zijn ding te laten doen. En laat de moto maar doen, hij smijt zichzelf er wel door !
Het helpt ook wel als er 1) geen bochten zijn en 2) de zandplekken maar ne meter of tien zijn en 3) ge ze van ver ziet liggen en 4) als ge met ne supergoed afgeveerde KTM op zwier zijt…. Philip zijn Terraatje bewees zich weer van zijn slechtste veringkant en verknoeide zijn vertrouwen kompleet…
Gelijk hoe, op de pistes van deze middag lag mijn snelheid ongeveer factor tien hoger dan tijdens deze ochtend: aan snelheden van 70 tot wel 100km/u knalde ik overal over en door. Zolang het rechtdoor ging tenminste, voor bochten moet ik toch echt ne keer een cursuske gaan volgen…



De Oued hadden we dus overleefd, en na een lichte transformatie gedurende de welgekomen pauze vlogen beider KTM’s gebroederlijk over de zalig vlakke pistes van het land ten oosten van deze Oued. De Terra kwam enigszins mankend achter, de berijder met elke kilometer zochter en zochter makend, de vering bleek hoe langer hoe meer steken te laten vallen….
Het doel van het komende uur zeg maar, was Taouz, een prutsdorpje te noord-oosten van onze Oued. Zelfs op de zattelietfoto ziet het er uit gelijk of het ooit gebombardeerd was. De vierkante structuren komen behoorlijk alien over temidden van deze woestenij (zoom maar eens uit ! https://goo.gl/maps/1gFLed189762 ). Taouz’ enige reden tot vermelding is dat hier “le goudron” begint, of eindigt, langs waar je naar Merzougha kan rijden.
Maar daar moet ge dan wel eerst geraken natuurlijk. Dat kàn eenvoudig lijken omdat ge van internet van die purperen gps-lijntjes kunt downloaden (tracks heten ze dat ook wel eens) maar die lijntjes hebben natuurlijk geen flauw idee of dat de beste piste van ’t moment is. ’t Is niet voor niets dat we ons via een andere piste hebben laten leiden naar die Oued. En zo komt het dat we zo al rijdend en springend (jawel, beide wieltjes in de lucht aan 80 km/u!) plots in een totaal ander soort terrein terecht komen. Veel hoekige bochten tussen struiken door en overal wreed wit zand, echt niet tof om in te rijden, en doordat onze snelheid weer naar beneden dondert, beginnen we weer te zwalpen en te sukkelen.
Tijd voor wat rook en water afin.



En daar komt dan vaneigens een jonge kerel op zijn brommerke aangetuft, spiegelzonnebril op, tulband op, geen frans. Hij komt ons zeggen dat we verkeerd aan ’t gaan zijn, de goeie piste loopt een 200m meer aan onze rechterzijde, oostelijker dus. Als we blijven rijden gelijk we bezig zijn gaan we in héél zanderig terrein terecht komen. Kortom, hij zegt dat we het purperen lijntje niet mogen geloven. De vibes van deze jonge kerel zijn gelukkig goed, hij wil ons echt helpen, geen geld uit onze zakken kloppen, geen “donne moi stylo” of bonbon of ballon deze keer. We gaan te voet even poolshoogte nemen en wat hij zegt klopt wel degelijk. We vinden de piste en ze blijkt inderdaad heerlijk berijdbaar te zijn !
Alweer een uurtje later – of is het een half uur? – komen we weer op een kruispunt aan en ik zie Bert en Philip linksaf achter de horizon verdwijnen. Ik reed toen even de laatste, en ik had effectief gezegd dat het naar links was, maar na die eerste links kwam er wel een rechtse… :P Dus deed ik wat ik kon doen: moteurke uit en wachten tot ze zouden terugkeren. Dat deden ze ook, maar er hing – alweer – een metaalgroene horzel rond hun oren. De chauffeur ervan beweerde dat de piste die we gingen volgen heel erg veel zand bevatte, dat we ons zouden vastrijden, dat het daar een wirwar van pistes was en dat we beter inderdaad naar links zouden gaan om daar dan een paar km verder een andere piste te nemen langswaar ze ons konden gidsen richting Taouz, zonder ons vast te rijden in ’t zand. Dus wij met die gasten mee naar die andere piste. Die hadden we rap gevonden, maar eerlijk gezegd zag ze er niet al te goed uit. Bovendien was het vooruitzicht om ons alweer te laten gidsen absoluut niet leuk. Maar vastzitten in het zand is ook niet leuk… wat nu? Bert en Philip hadden er geen goed oog in, ze hadden geen vertrouwen in die gasten, ze vonden die piste er ook niet echt OK uit zien, ze hadden ook geen zin om alweer op sleeptouw genomen te worden… maar vooral de “bad vibes” van die twee kereltjes waren ergerlijk. Dus werd – twee tegen één – besloten om toch maar ons oorspronkelijke purperen lijntje te volgen. We zouden we zien wat er ging gebeuren. En hop we keerden ons kar en reden verder. Een paar kilometer verder kwam er al iemand anders ons tegemoet gereden en hij wapperde van ver dat we moesten stoppen, maar daar hadden we alledrie geen zin in nu. Foert, en we reden hem straal voorbij en vervolgden ons traject. En geloof het of niet, maar de gps had het perfect bij het rechte eind. OK, we kwamen op een vlakte met vrij veel pistes, maar je zag van ver welke zanderig waren en welke niet, dus je had tijd en ruimte om een ander spoor te kiezen, dus na een kwartier of zo hadden we dat zogenaamd moeilijk stuk achter de rug. Bert zei me achteraf dat die metaalgroene ridders al aan het smssen waren toen wij ze achterlieten, waarschijnlijk naar die tegenligger die hun maatje was. Het is echt wel kut eigenlijk. Waarom zitten er daar zoveel die ons proberen bedriegen? Keert de situatie eens om : als ge hier in uw eigen land gevraagd wordt om de weg te wijzen, gaat ge ze dan efkes “alom” sturen en gidsen om ne cent meer te verdienen? Baneentoch? Ge gaat ze gewoon zeggen van hier links en daar rechts. Ge gaat die mensen helpen om te geraken waar ze moeten zijn. Maar daar in Marokko lopen er toch redelijk veel gasten rond die u met verbijsterend veel geloofwaardigheid gewoon compleet de verkeerde kant zouden opsturen, om u dan uit het zand te graven en te gidsen naar de goeie piste. Spijtig toch. Maar gelukkig zijn ze niet allemaal zo.
Afin, ’t is dus daar vlak na die zogenaamd moeilijke piste dat we een KTM-tegenligger kruisten. Natuurlijk moeten we stoppen. Mac is de naam, solo onderweg met een 690 enduro, Giant Loop-bepakking achterop, en druk bezig met zo zuinig mogelijk te reizen. Dus geen hotellekes, altijd tentje of als het warm genoeg is zelfs zonder tentje. Zijn doel was Zagora peis ik, en hij had niet echt tracks gelijk ons, maar gewoon een hoop gps-punten. Tja, dat maakt het nog wat echter natuurlijk. Respect! Na deze ontmoeting was het nog een kwartier rijden tot Taouz, en vanaf daar was het linea recta naar Merzougha.


Merzouga!
Parel van de woestijn, afin, toch van deze kant van Marokko.
Speeltuin van Rally’s. Vroeger meer dan nu natuurlijk, toen de Dakar hier nog passeerde.
Een bekende “Spa” voor reumatische Marokkanen die in de heetste maanden een “zandbad” nemen om hun gewrichtjes weer pijnvrij te krijgen.
En eigenlijk moet ik zeggen “Erg Chebbi, parel van Marokko!” want Merzouga is gewoon het meest bekende dorpke dat er tegen ligt.
Soit, voor ons en voor de moto’s efkes een luxemoment. Hier blijven we twee nachten, om aan te sterken, waskes te doen, moto’s te bekijken en de plannen voor de komende dagen te bekijken.
Die Erg Chebbi is een grote zandbak temidden van het grote niets.
https://goo.gl/maps/Mspy7JkCri62
Het Hotel Yasmina dat Philip wilde aandoen lag noordelijk van het Grote Zand, dus dat werd toch nog even een half uurtje piste rijden.



Maar dan, eindelijk:



Op de voorgrond zie je de weg naar het hotel, het bermpje is nogal stenig en dient om ’t zand wat tegen te houden. Rechts zie je de duinen en je ziet ook een heel klein Bertje.
Het hotel zelf is zeker geen kleintje, en ze zijn duidelijk gewend van hier veel westerse toeristen te ontvangen. Luxe genoeg dus.





De internetstoelen, met uitzicht op de duinen.


De achterdeur van het hotel geeft recht uit op de duinen.


Hier zitten we op de internetstoelen terwijl de kindverkopertjes wat verder in ’t zand zitten.


En plots zien we dan iets compleet maf : over de duinen komt een brommerke aangereden!
Een brommerke alstublieft… daar kunnen wij met ons duur materiaal nog iets van leren!


Eigenlijk feitelijk was de rustdag er teveel aan… zo niks doen begon toch wel door te wegen….


We hebben de dag wel tamelijk nuttig gevuld hoor. Wat onderbroeken en zo wassen. En de KTM’s ne keer grondig bekijken, want die hadden wat koelwater overgegeven. Dus hop wat plastiekwerk eraf, ne keer de radiatordop eraf en wat flessenwater erbij. Tegelijk zag ik dat er een vijs van mijn subframe een 2 millimeter was los gekomen, dus ik was wel blij dat ik die nu gewoon weer lekker vast kon schroeven. Had ik dat niet gezien dan was ik ze vast en zeker ergens verloren!

De zaterdag was dus redelijk goed gevuld, de zondag was uiteindelijk een beetje tijdverlies. Maar dat die rustdag in ons geheugen als dusdanig zal nazinderen, zal vooral te maken hebben met het rotweer die dag. De zon scheen wel, maar er stond de héle dag een erg strakke wind waardoor je het niet moest riskeren om buiten te komen, behalve om gezandstraald te worden. Ons idee was om een paar uurkes in de duinen te gaan wandelen. Forget it. De koer oversteken was er al teveel aan. ik had ook het idee om Merzouga zelf eens te bezoeken, een toeristenval die je toch ook eens gezien moest hebben. Maar ook hier : foert, te voet ging het al niet om buiten te wandelen, laat staan dat ge dan efkes gaat motorrijden! ’s avonds kun je in de duinen van prachtige zonsondergangen genieten. Maar ook dat was ons niet gegund! Vandaar, deze dag gaat niet de mooiste herinneringen bevatten!

Maandag, 19/10.
Het streefdoel binnen enkele dagen is het doorkruisen van de Plateau Du Rekham. Het oversteken van dat hoogplateau is al van in ’t begin het ultieme doel geweest. Daarvoor hebben we de Jbell Sarho en nog wat andere pistes laten vallen. Maar we zijn er nog niet. Eerst moeten we nog naar Erfoud en dan via een prachtige steenpiste naar Boudnib, naar Talsint en pas kunnen we aan die plateau beginnen. Misschien, hangt wat af van de timing en zo.
Naar Erfoud rijden doen we ook binnendoor via wat pistes. Best wel fun, Marokko is daar HEEL leeg en HEEL plat maar toch wordt er redelijk veel gereden over die vlakke terreinen. Er zijn dus best veel pistes, maar ze zijn allemaal vlak en gemakkelijk te doen met een gewoon gezinswagentje. Dus zeker met onze moto’s.
En we zijn vertrokken, hotel nog op de achtergrond. Goede indruk van de vlaktes rond die Erg Chebbi.


Erfoud is lekker druk, we kopen er wat water en fruit, tanken wat geld en volgen het asfalt wat verder tot we aan het begin van de piste zijn.


En kijk, dààrvoor heb je dus een gps nodig, of een gids. Het begin van die piste naar Boudnib staat niet met een wegwijzerke aangeduid zoals hier eh. Ergens langs de asfaltweg is er een plekske waar ge de vlakte in kunt rijden, en er vertrekken daar wel vijf sporen in zowat alle windrichtingen. Zonder gpscoordinaten (of een purperen lijntje dat plots het asfalt verlaat) kunt ge dat niet vinden. En dan nog heeft het tien minuten geduurd eer we de piste hadden die in de exact goeie richting ging. (you know: eentje uitproberen, ow, we verlaten de track/route, een andere proberen, ow die is het ook niet, nog een andere proberen, ah die is het)
De piste naar Boudnib is erg veelzijdig. Een eerste deel gaat doorheen een mooi gevarieerd landschap. De piste meandert er wat doorheen maar wordt nooit moeilijk. Stenen en steentjes durven wat weg te rollen, maar that’s it.




Tja, hoe moet je een landschap met zoveel stenen noemen? Een steenwoestijn?


Naderhand komen we aan een kruispunt waar een opzichter met verrekijker staat. Hij en zijn veraf gelegen collega’s moeten dat gebied in de gaten houden, om jagers te betrappen. Er liggen wat gepolijste en mooi vorm gegeven stenen waarin tekeningen van fossielen zitten.



Over de prijs valt helaas niet te negotiëren, want de maker zelf is niet aanwezig. Je maakt dus een keuze, en laat het gepaste geld achter.
We rijden verder. En verder. En verder.


Het lijkt wel uuuuren dat we rijden en rijden, de piste is vrij monotoon, het landschap is heel heel leeg, het einde komt niet in zicht. Tot plots mijn KTM vanvoor begint te daveren en te dokkeren. Meteen weet ik dat dat absoluut niet normaal is. Dat kan maar één ding betekenen : platte band. Stoppen, afstappen, en wachten tot mijn twee maten zijn teruggekeerd. Waarna we ons gereedschap bij elkaar leggen en er aan beginnen. Voorwiel eruit, band eraf, binnenband proberen plakken (want dat was een dikke, en de reserveband was geen dikke) en alles weer monteren.


Zo’n dingen bewijzen dat je voorbereid moet zijn. Je moet technisch capabel zijn, gereedschap hebben om zelfstandig je plan te trekken. Hier was geen gsm-ontvangst, er is geen kat gepasseerd. Geen idee ook hoever of hoelang het nog rijden was.


Gelukkig hadden Bert en Philip al ervaring, dus op een uur rond was het voorwiel uitgebouwd, de band geplakt, het wiel gemonteerd en weer opgepompt. Lekker snel, toch! Maar toch… wééral een dik uur tijd verloren….

Boudnib zelf is tamelijk groot, maar precies toch ook te groot voor hetgeen het maar is. Een grooooote hoofdstraat die heel leeg is, vrij veel geasfalteerde zijstraten waar niks te beleven valt, niks van winkels gezien ook. Brandstof vinden was wat moeilijk, uiteindelijk heeft ne mens ons voorgelopen (jaja!) naar een winkelke waar de eigenaar wat vaten met benzine staan had. Onze KTM’s slurpten gelijk vanouds twee keer zoveel benzine als de Terra, de zuinigheidskampioen bij uitstek!


Goed, we waren dus redelijk rap buiten Boudnib, op weg naar ons nieuwe doel : de Col de Belkassem!!!!
Een kolleke, wat is daar nu speciaal aan… :roll:
Wel, kijkt efkes naar dit filmke, van een 4×4 die afdaalt van Noord naar Zuid (de helling aan de noordkant is een pak minder erg dan de zuidkant)
https://www.youtube.com/watch?v=m75xU4KxNto
Ge ziet dat zo’n grote über 4×4 daar wel wat “sukkelt”, om het wat eufemistisch uit te drukken. Beetje moeilijk om die vier wielen over al die grote stenen te krijgen zonder gaten te kloppen in de motor of het differentieelhuis….
Welaan dus, wij hebben dat colleke gedaan in de àndere richting! Van Zuid naar Noord. Da’s dus de moeilijkste kant die we efkes bergop gedaan hebben. Denk “reuzetrap met reuzetreden” en “geen twee reuzetreden gelijk” en dat per moto steil bergop doen. Een wonder dat er geen accidenten gebeurd zijn. Niet te snappen eigenlijk.
En moest de batterij van Philip zijn cameraatje niet net op dat moment plat gegaan zijn, dan was er zelfs een schoon filmke waarop ge mij en mijn KTM een hitsige tango ziet doen… maar helaas.
Maar voor we daar zijn passeren we eerst nog langs dit schoon landschap, een mooi oase-achtig iets in deze droge dorre wereld.


Wat verder zien we een spookdorp, dat binnen 152 jaar en 64 dagen geheel weggeregend zal zijn.


Moest het wat meer regenen ’t zou wellicht wel rapper wegsmelten. :wink:
En dan zitten we wat verder weer op een piste die dwars over de vlakte gaat, naar de beruchte Col de Belkassem.


’t Is een smerig pisteke met vlijmscherpe erosiegeultjes, dus ge moet als voorrijder echt de grond goed in de gaten houden en uw rem klaar houden om uw snelheid te decimeren. Als volger volstaat het om het remmen, duiken en weer opspringen van uw voorganger in de gaten te houden. :P
En dan plots verandert de ondergrond en gaat het stijl omhoog.
Bert valt plots stil, ik dodder er voorbij tot ik een goed plekske heb om te parkeren en een foto te trekken. Blijkt achteraf dat hij per ongeluk zichzelf in neutraal heeft gebonkt.


Dan rijdt Philip verder omhoog, als eerste richting het steilste stuk.


Maar als ge niet genoeg vaart hebt, als ge uw evenwicht wat verliest, of als uw voorwiel op het verkeerde moment op de verkeerde manier tegen de verkeerde steen botst, valt uw tempo dood en staat ge stil. Op de stomste, moeilijkste, steilste plaats van de helling.


Tijd voor water en rook, en een Grannyke of twee, drie…
Bert geraakt er nog bij, ik wacht geduldig af op mijn horizontaal plekje van daarnet, tot iedereen uit mijne weg is…



Dan, uiteindelijk, is iedereen boven en staat Philip klaar met zijn filmcameraatje. Ik daal af naar mijn moto en kijk goed wat het beste/minst slechte spoor is. “Op hoop van zegen” denk ik nog voor ik mijn hersens uitschakel.
Ik vertrek voorzichtig, ga meteen recht op de pedalen staan en focus me op het spoor dat ik heb uitgekozen. Nu is er maar één ding belangrijk, EEN DING maar: de moto mag niet stilvallen, de tractie moet behouden blijven, hij moet voorwaarts blijven gaan. Hier willen we niet op onze bek gaan.
De motorfiets begint aan zijn wildedans, bokt tegen de stenen op, de vering wordt ingedrukt terwijl de wielen tegen de stenen opklimmen. De wielen rollen erover en de motor – en ik erbij – springen uit de vering, en tegelijk voorwaarts, tegenop andere stenen en rotsen, waar de vering alweer gewelddadig wordt toegeslagen. Het voorwiel wordt alle kanten uitgeduwd, de motorfiets stuurt zichzelf overal behalve daar waar ik het beste spoor zag, hij knotst en totst en botst tegen en over de meest vierkante borduurstenen die ik ooit gezien en gevoeld heb. De moto slaat naar links en ik ga mee, snok hem terug naar rechts, negeer het rotsblok, knal ertegen en erop, erover zelfs, de moto valt niet stil en sleurt verder, alsmaar voort. Philip zegt achteraf dat het prachtig was hoe ik geheel synchroon met de motorfiets meeveerde. We waren tesamen synchroon aan het inveren en uitveren terwijl de KTM ons over de stenen omhoog smeet. Eindelijk – na 15 seconden misschien? – is deze woeste tango voorbij en bereik ik een relatief vlakke plaats, net op tijd om mijn evenwicht te verliezen en de KTM op zijn zij te leggen, een schoonheidsfoutje dat ik mezelf even vergeef. :sideways:



’t Is dan nog ongeveer 100m eer ik weer boven ben. Philip en Bert volgen enkele seconden later, maar dan heb ik slecht nieuws voor hen: de voorband is aan ’t lossen!
Nu wordt het echt crazy. ’t is bijna 19u, binnen een kwartier gaat het beginnen schemeren en een kwartier later is het hier pottezwart. We staan van boven op de col en de wind blaast ons bijna omver. Het is hier koud, en de ondergaande zon scheert vanuit de verte over die uitgestrekte lege, dorre, donkere vlakte waarover met veel geweld zand gejaagd wordt. Onder hoogspanning werken onze hersens om dit probleem op te lossen.


Oplossing 1: het simpelweg oppompen van de band en dan rap naar beneden rijden, want hij loopt relatief traag leeg. Dat oppompen kan met de Airman die ik mee heb, ik haal ‘m van onder het zadel en dan valt onze euro. We kunnen mijn sigarette-aansteker niet meer gebruiken want we hebben die min of meer gemolesteerd toen de band de eerste keer plat was gelopen. En daarop had ik ‘m losgekoppeld. We kunnen het compressorke van Bert ook niet gebruiken, omdat dan zijn zekering springt, dat hadden we ook al eerder gemerkt, toen we onze banden ne keer aan ’t bijpompen waren, enkele dagen geleden. We zullen dus toch mijn Airman moeten gebruiken en echt wel op mijne moto. De enige manier dus om die Airman te laten werken is ‘m rechtstreeks op de batterij aan te sluiten. En waar zit die? Right, onder de carterbescherming. Die schroeven we dus los, we knippen de stekker van de Airman en maken wat koperdraad bloot. Terwijl Bert en ik elk een draadje tegen de batterijpool houden gebruikt Philip de Airman om de band op te pompen. Het lukt wel, maar helaas, we horen hem zo weer leeglopen. Het wiel eruit halen om de binnenband te vervangen is een stom idee, straks is het hier pikkedonker en we moeten zeker nog dertig km tot aan Beni Tajjite, het dorp aan ’t eind van deze piste. Tijd voor oplossing 2!
Oplossing 2: ik besef plots dat ik zo’n spuitbus-met-schuim mee heb. Ik heb die gekocht toen ik mijn KTM pas gekocht had, al acht jaar dus sleur ik die bus mee in mijn tanktas, nog nooit nodig gehad. Tot nu! Ik haal die spuitbus eruit, Philip sluit dat op de band aan en spuit er alles in. YES, het werkt! Ondertussen monteer ik terug mijn carterplaat en begin alles weer op zijn plaats te steken. Bert en Philip laten ondertussen het voorwiel zo snel mogelijk ronddraaien opdat het schuim zo goed mogelijk de hele binnenkant van de binnenband kan bestrijken. Eindelijk kan ik de motor bestijgen en rij zo snel mogelijk naar beneden. De anderen volgen wel. Een geluk dat deze zijde minder steil is, en minder moeilijk. Toch ga ik nét niet op mijn bakkes als mijn voorwiel weer efkes de verkeerde kant uit springt.
We jagen over de piste alsof de duivel op ons jaagt. Nog 30-40 kilometers, da’s toch minstens een uur, en binnen tien minuten wordt alles zwart. De mistlampen gaan aan, de grootlichten, de Hella’s ook, alle licht is nu welkom. De eerste 20km gaan behoorlijk vlot, het is al een tijd donker maar deze piste is behoorlijk goed te doen, lekker rechtdoor, geen zand, geen erosiegeulen. Dan plots duiken er wegenwerken uit het donker op ! Ze zijn hier écht wel een nieuwe weg aan het aanleggen, her en der liggen rioolbuizen die nog in de grond moeten, er is gegraven, er zijn plaatsen waar ze de grond effen getrokken hebben. We beginnen in het duister de wegenwerkenbedding te verwarren met de eigenlijke piste, want beide slingeren rond elkaar gelijk een slang rond een stok. Onmogelijk te weten welke nu een piste is, en welke de wegenwerken. Soms volgen we de piste en dan plots zitten we weer op de bedding.
Plots gaat Philip onderuit, een half opgedroogde laag modder, bruine zeep, haast letterlijk. De moto rechtduwen lukt haast niet, de wielen glijden weg. Met verkrachte eenden krijgen we de moto uit de blubber. Ook Bert krijgen we er ongeschonden – maar niet proper – door. Zelf was ik de laatste in de rij, ik kon nog net op tijd stoppen, gewoon wat achteruit duwen (was ook al moeilijk!) en die vervloekte bedding verlaten.
Een eind verder – alweer zijn we op die bedding gesukkeld – komen we aan een brug die er nog niet is… we zoeken te voet een uitweg links van de weg, wandelen de droge rivierbedding in en vinden een manier om voorbij die brug te geraken. Stilaan zien we lampjes opdoemen, we naderen het dorp…

Ergens tussen acht en negen uur arriveren we eindelijk via een achterafwegje in het centrum van het dorp. Er is een vuil café-hotel dat niet veel vertrouwen in boezemt, maar gelukkig heeft de eigenaar nog een “maison d’hôte”, gelegen buiten het dorp. Hij begeleidt ons naar ginder en we bestellen ons een lekkere tajine. We hebben die pas tegen middernacht, maar lekker dat ie is !!!!

Nog wat fotootjes van het “maison”.




De grap van dit maison is dat het onvindbaar is, en de patron snapt niet waarom. “We staan toch op google maps?” zegt hij wel tien keer. “En we staan ook op de zuil van het benzinestation!”, zegt hij evenveel keer. Hij wilt niet snappen dat geen kat Google Maps gebruikt om hotels te vinden, daarvoor gebruik je bvb tripadvisor.com en booking.com. Hij wilt ook niet snappen dat men zijn logement onmogelijk kan vinden zonder lokale wegwijzertjes… Bovendien staat zijn lelijk ossebloedkleurig huis achter een 3m hoge muur, met slechts een héél klein bordje “hotel”, half in de struiken. Kortom, als ze u er niet naar toe brengen, kan niemand zijn ding vinden. :lol:
Zo, en dat was dus weer ons dagje: piste naar Erfoud, piste naar Boudnib met platte band onderweg, de moeilijke col de Belkassem over langs de moeilijkste kant en dan nog min of meer 30 km piste/wegenwerken in het pikkedonker….

Wie deze col nog wilt doen zal zich trouwens mogen haasten, volgens Google Maps loopt de R601 er straal over, en ze zijn er dus al druk mee bezig !
https://goo.gl/maps/2VALsVrSi2H2

Anyway, maandagavond waren we dus onder begeleiding naar dat anonieme maison d’hôte gevoerd. De eigenaar was een zakenman pur sang, had 15 jaar Parijs achter de rug maar wegens familiale redenen was ‘m teruggekeerd naar zijn moederdorp. Maar ’t geld moest rollen, dus had ‘m een hotel gebouwd, een maison d’hôte, een gloednieuw servicestation met brandstof en in aanbouw daar vlakbij waren een groot hotel met groot zwembad en een grootwarenhuis. Geld en ideeën genoeg! Alleen van reclame maken had ‘m totaal geen verstand… En de keuken van dat maison was ook niet echt “klaar” om eten te maken voor gasten. Zeker niet als die plots uit het struikgewas opduiken en op de wilden boef binnenvallen. Daarmee dat de tajine pas om middernacht klaar was… de tussentijd werd vaneigens gebruikt om wat wasjes te doen, maar ook weer om de plannen van de volgende dagen grondig te bestuderen.
Het originele plan was van om vanuit dit dorp – Beni Tajjite – naar Talsint te rijden, een half uurtje verder, en om dan weer de piste op te rijden, richting Debdou, loodrecht omhoog over de Plateau du Rekham. Maar van Talsint naar Debdou moet je veiligheidshalve toch twee dagen rekenen… en van Debdou naar Tanger Med is het langs de kust 542 km volgens Google Maps, maar als ge daar 40 of 50 km/u gemiddeld haalt moogt ge blij zijn volgens mij. Da’s dus één lange dag rijden rijden en rijden en ’t is maar twaalf uur licht moet je rekenen.
Dus ge snapt dat we efkes moeten optellen en aftrekken :
– morgen zijn we dinsdag
– donderdagmiddag nemen we de boot naar Spanje (beke gelijk de Sint).
– vrijdagochtend vertrekken we naar huis terug om zodoende
– zaterdagmiddag terug in de Vlaanders te zijn
Rekenen we achteruit vanaf donderdagmiddag, dan wil dat zeggen dat we woensdagavond al redelijk dicht bij Tanger Med moeten zijn, zodat we de donderdagochtend niet teveel kms moeten doen zodat we alle tijd hebben voor alle paperassen.
Maar om woensdagavond al redelijk dicht bij Tanger Med te zijn, moeten we dus woensdagochtend écht wel al in Debdou zijn. Maar dan is er enkel dinsdag om èn naar Talsint te rijden èn dwars over die Plateau te rijden tot in Debdou. Er mag dan niks verkeerd gaan, we mogen nergens tijd verliezen, geen blubber tegenkomen, geen regen, geen platte banden meer, pisterijden in het donker wordt zo goed als zeker ….
Houston we have a problem… (voor de kindjes: dit veelgebruikte citaat werd door de bemanning uitgesproken na een explosie op de Apollo 13, in de jaren ’70, toen op de maan landen nog een hot item was … https://www.youtube.com/watch?v=y30VxhWQdsM )
De conclusie was rap gemaakt: er was te weinig tijd om die Plateau er nog bij te nemen.
Als ik de passen niet vergeten was….
Als ik mijn visa-kaart niet had laten inslikken…
Als we wat rapper door de rivierbedding van Imilchil waren geraakt
Als ik geen twee keer platte band had gehad…
Als we gewoon de Belgische tijdszone hadden gebruikt
Als we maar één nacht in Merzouga waren gebleven
Dan, en alleen dan hadden mogelijks tijd genoeg gehad om die Plateau te doen. Maar ja, zoveel alskes…. en als ’t die niet zijn, dan zijn ’t ander. Deze congé was simpelweg een week te kort geweest voor alles wat er op de planning stond. Meer niet.
Dus kwamen we tot de conclusie dat we onze laatste piste gisteren gedaan hadden, over de col de Belkassem.
Nu moesten we nog op zo leuk mogelijke manier terug in ’t Noorden geraken. Over asfalt.
Het traject Talsint – Missour – Boulemane – Fes – Taounate – Ketama – El Jebha werd beslist.

Dinsdag, 20 oktober.
We tanken nog even bij de hoteleigenaar zijn benzinestation, laten de bandjes oppompen, geven hem nog wat gratis advies en vertrekken.


De weg was geasfalteerd, maar we zijn richting Missour toch een pak wegenwerken tegen gekomen. We moesten er ons kopke bijhouden. De eerste stint van ons dorpke naar Missour was al zo’n 130 km. Dat duurde toch een tijdje eer we daar waren. Beetje saai sjezen toch.
Van Missour naar Boulemane was daarentegen weer erg mooi rijden, grote brede, weidse valleien met rode rotsen op de achtergrond. We waanden ons in Arizona, Death Valley-toestanden.




Tegen de middag waren we wel in Missour dacht ik, waar we getankt en iets gegeten hebben.
En rare voertuigen gefotografeerd, met al even rare namen.



’s Avonds – na zo’n 430km – hebben we dan in Taounate overnachting gevonden, in Hotel du Lac. Een klein prutsdingske met schoon proper kamers, 256 dirham voor driepersoonskamer, da’s 25-30 euro, te delen voor drie man. Goedkoper slapen kan je enkel onder een boom….
Ik heb daar niet echt goei foto’s van, Bert of Philip zullen die wel hebben.
De woensdag reden we door naar El Jebha, over Ketama, zo’n beetje het epicentrum van het Riff-gebergte, je weet wel, die regio waar men u de pas afsnijdt en u met de revolver op de keel wiet verkoopt. Bwof, tegenwoordig is dat allemaal dikke zever… ok ok, moest ik gestopt zijn bij elke vent die het rooksymbool toonde, dan had ik wellicht wel een remorkske kunnen vullen met cannabis, en overal waar je stopte vroegen ze vriendelijk of je geen interesse had in dat spul, maar nergens was de atmosfeer negatief.
Bert en Philip vonden Ketama wel minder leuk, midden op een kruispunt waar heel erg veel volk was, hadden ze gemerkt dat ik niet gevolgd was, dus waren ze gestopt om te wachten. Ze werden natuurlijk door enkele mensen aangesproken. Ondertussen was ik ergens in ’t begin van dit stadje bij een groenteboer gestopt om wat appels te kopen. Achteraf werd ik min of meer voor gek verklaard, want “Ketama was tot voor kort verboden terrein voor toeristen! Ketama is de hoofdstad van de cannabis! In Ketama moeten ze niet weten van pottekijkers!” Goh, ik zeg het, niks van gemerkt dus ’t zal wel meevallen denk ik zo.
Het Riff-gebergte is wat gewoontjes, vergeleken met Erg Chebbi, dus niet zoveel goeie foto’s van.


Hier een fotoke van iets anders leuks : een gigantisch overladen vrachtwagen!


El Jebha is een klein pittoresk dorpje, met behoorlijk veel zwerfvuil op de oever bij eb. Ook niet echt een must see.


Het hotelletje waar we iets gegeten hebben en waar Philip indertijd z’n eerste overnachting op Marokkaanse bodem heeft gemaakt.


Het enige vermeldenswaard hier is dat onze darmen zo stilaan begonnen te rommelen en rammelen, een duidelijker signaal dat het tijd werd om naar huis te gaan kan je niet hebben.
Wat wèl de moeite is om te doen – maar het liefst met een racer – is de N16 naar Tetouan. Op deze racepiste kan je geen gek hoge snelheden halen, maar alle 200m kan je als je gek genoeg bent wel knietjes aan de grond leggen. Tientallen kilometers lang kan je als een gek racen, vlammen en de vonken van je steuntjes doen vliegen. Of je kan – zoals wij gedaan hebben – een Tempo kiezen, waarbij je nauwelijks versnelt, vertraagt middels de motorrem, en zo toch aan relatief hoge snelheid door de bochten scheert. Rijden aan dit tempo is rustig, maar gaat toch vrij snel!
Of toch maar liever géén racer… af en toe “zinkt” het asfalt weg, tien of 20 cm, om de simpele reden dat ze hier in Afrika niet weten hoe ze deftige fundamenten moeten leggen…op zo’n moment wil je niet naast je moto hangen, en je wil ook liefst wat comfortabele langere veerwegen hebben, kwestie van wat soepel te zijn, en niet meteen van de weg af te wippen…


Tetouan is een hectisch zottekot met meer files dan parkeervakken bij wijze van spreken, we vinden er per toeval een gigantisch luxueus viersterren hotel, 600 dirham voor driepersoonskamer met ontbijt, omgerekend 20 euro de man voor al die luxe!
De dag erop rijden we vlotjes langs diezelfde N16 naar Tanger Med, we staan er op een uur, dat was een pakske rapper dan we gedacht hadden. Eerst gaat die weg langs de kust en krijg je een goede indruk van de lange stranden, de schone brede dijken, de vele duizenden appartementen die in de hoogzomer waarschijnlijk overbevolkt zijn, maar nu gewoonweg leeg, héél erg leeg…het tweede deel van die weg meandert weer erg mooi door de bergen, tot we eindelijk in de haven zijn.
Paperassen regelen is een fluitje van een cent, de boot is quasi leeg als we vertrekken. Het wachten ging trouwens rap voorbij, ergens langs de N16 moet Bert een meterslange ijzerdraad opgeraapt hebben en die was ferm rond de as van zijn achterwiel gewikkeld, aan weerskanten zelfs. Niks wat wat kniptangen en geduld en tijd niet kunnen oplossen.


Op de “Fast Ferry ” zitten Bert en Philip, die toch zo stoer waren op de moeilijkste stukken piste, nu gelijk tamme konijntjes gefixeerd naar de horizon te kijken, vechtend tegen de mottigheid, terwijl de boot eigenlijk nauwelijks deint :mrgreen:


Tja, en dan is het eigenlijk gedaan eh. We rijden naar de camping, arrangeren ons materiaal, eten en slapen daar nog éénmaal, en vrijdagochtend vertrekken we voor een probleemloze stint van zo’n 2200km en 24u rijden…


Het zal uiteindelijk een volle week duren eer wij alledrie weer op ons effen zijn, eer we weer ons normaal energiepeil bereiken…. het was een reisje dat blijkbaar veel dieper gesneden heeft dan we onderweg dachten !

Maar wat een fokking prachtige reis was dat!!!

Auteur: Paul D’Hooghe.

Beknopte uitleg van de door ons gekozen en gebruikte kledij:

Klim Valdez Parka (Gore-Tex waterdicht, koudewerend, en indien nodig geventileerd)
– Klim Dakar Pro Jersey (nu vervangen door Tactical Pro Jersey, sterk, scheur- en schuurvast jersey met veel ventilatie)
Leatt 5.5 Body Protector harnas (aangezien er in de Valdez Parka en het Dakar Pro Jersey geen valprotectie zit, en met het vele onverhard in gedachten hebben we voor maximale bescherming gekozen)
Klim Overshell GTX Pants (Gore-Tex waterdichte overlaag voor bij regen of koude doortochten)
Klim Dakar Pants (stevige endurobroek met regelbare ventilatie dmv ritsen)
Leatt knie- en scheenbeenbeschermer 3DF Hybrid EXT (maximale en comfortabele bescherming aangezien de Dakar Pants geen interne valbescherming heeft)
– Klim Aggressor Neck Sock (nu vervangen door de Klim Aggressor Cool -1.0 Neck Sock, maximale ventilatie zonder tocht op de nek te krijgen)
– NEXX X.D1 helm (degelijke dual sporthelm met voldoende ventilatie, in ons gamma verwijderd sinds de komst v.d Klim Krios)
– Scott OTG crossbril (onmisbaar accessoire tijdens stof- en zandetappes, in ons gamma vervangen door de Viper crossbril van Klim)
Klim Adventure handschoenen (nu vervangen door de Klim Dakar Pro handschoen, degelijke alleskunner)
Klim Mojave handschoenen (lichte endurohandschoen met maximale ventilatie)
Klim PowerXross handschoenen (voor de natte en/of koude momenten de baas te kunnen)
Forma Adventure laarzen (uitermate comfortabele allroad laarzen, met een voldoende sterke zool om lange tijd recht op de stepjes te kunnen staan)
Klim Vented Sock (kniehoge sokken met maximale ventilatie, gemaakt uit een zweetafdrijvende stof)
– Moto Adventure Store T-shirt (ademend en technisch T-shirt, komende uit dezelfde fabrieken waar oa. Nike z’n T-shirts laat maken, met ons logo op voor- en achterkant)
– UVEX oranje bril (helaas uit ons gamma verdwenen en tot nu toe nog geen geschikte vervanger voor gevonden)
Klim Tactical Short (lange short met zachte protectoren op heup en bovenbenen en met ingewerkte padding)
Klim Nac Pak (3l waterzak [waterzak dient apart bijgekocht te worden, keuze in 2L of 3L versie] in combinatie met een bruikabre rugzak om reservespulletjes in op te bergen, eind 2018 vervangen door een compleet nieuwe versie)

0

Your Cart