Selecteer een pagina

Een reisverslag van een tiendaagse reis naar Zuid Noorwegen en terug via de Zweedse Westkust, een mix van foto’s en tekst…

 

Mijn eerste dag onderweg is een lange. Wetende dat mijn reisgezellen, Peter en Yves (vanaf hier genaamde P en Y) in een hotel aan de Noordwestelijke kust zitten, op amper een boogscheut van de Deense grens, heb ik nog wat terrein in te halen.
Ik vertrek dus rond 23u00 en rij de nacht door. Door Nederland, door delen van Duitsland waar ik nog niet geweest ben, tegen de ochtend zit ik rond Hamburg en stuur P een smske met de vraag om hun exact adres. De gps zegt me dat ik er binnen anderhalf uur kan zijn. Liever dit dan ergens in Noord Denemarken af te spreken zoals initieel het plan was. Tegen dat ze gedaan hebben met ontbijt sta ik naast hun GS’en. De motoren zijn allen opgeladen en een tiental minuten later zijn we weg.

P heeft een route op gps staan, die volgen we maar na anderhalf uur zijn we nog steeds nergens, en de omgeving wordt er niet echt mooier of spannender op. We besluiten al snel om de route overboord te gooien, kiezen om de autosnelweg op te rijden en het gewoon op ons gemak te doen.
Na enkele honderden km’s naar een saai, hooguit glooiend landschap te kijken op een trage autosnelweg waar je maximum 110km/u mag verlaten we rond Aalborg het meest mistroostige deel autobaan dat ik ooit gereden heb. Vanaf hier zetten we koers naar de zee. In een dorpke, genaamd Blokhus, mogen we blijkbaar met de motoren op het strand rijden. Meer zelfs, iedereen doet ’t daar, gewoon met de auto het strand op, ergens stoppen, et voila, een plekje gevonden. Voor ons Belgen ondenkbaar dat we met z’n allen op de amper 62km langs strook die de Belgische kust heet met onze voertuigen, welke dan ook, zouden kunnen rijden. Hier klaarblijkelijk de gewoonte. Nuja, de Deense kustlijn is met z’n +7000km dan ook ietsje langer en er lopen amper 5,7 miljoen Denen rond, dus laten we stellen dat ’t hier sowieso minder druk zou zijn.
Anyway, P en Y met hun GS’en op ’t strand, ik voor de eerste keer met de Yamaha XT1200ZE Super Tenere op een zanderige ondergrond. Ff onwennig gedurende z’n eerste stapjes maar daarna lukt ’t wel.


We rijden enkele km langs ’t water, net niet erin maar op het harde zand. Om het strand te verlaten moeten we wel een strook van honderd meter zacht en omgewoeld zand door. En dat lukt, met veel wielspin, duwen met de voeten en het blijkbaar uitschakelen van de ASC op de Yamaha, anders valt hij dood eens het achterwiel spint. Weer iets geleerd, dat en ’t feit dat onze motoren niet Dakar voorbereid zijn qua banden noch bepakking.


In Hirtshals aangekomen blijkt dit amper een steenworp groot, en volledig draaiende rond de Ferryverbinding naar Kristiansand in Noorwegen. Voor de rest is hier echt niks, maar dan ook niks te zien. Een pizzeria is het meest culinaire dat onze aandacht trekt, maar voor de pizza moet je alvast niet tot dit hol van Pluto komen rijden. De service was dan weer heel vriendelijk.

Een uurke later zijn we ingescheept, de verbinding van circa 3u vaart met ons de nacht in. Zelfs rond deze periode van ’t jaar is er in het meest zuidelijke punt van Noorwegen nog altijd nacht, pas als je hoger gaat blijft ’t schemeren. Het is dan net na middernacht dat we in Kristiansand ontschepen. P heeft het simpelste maar helaas nog altijd niet goedkope hotelleke geboekt voor ons drieën, het blijkt een reeks aan mekaar gelaste containers te zijn waarbij een Formule1 hotel nog een poepsjiek ding lijkt. Al moeten we zeggen dat ’t wel proper is, mag ook wel voor bijna 100€ de man. Vraag en aanbod qua…
Het is reeds rond 2u ’s nachts eer ik m’n ogen kan toedoen, ben 25u onderweg geweest, een fameus eerste dagje moet ik zeggen, en voor ’t eerst op Deense en Noorse grond gestaan.

 

De eerste dag volledig op Noors grondgebied belooft een natte start. In ’t stad waar we rusteloos op zoek gaan naar een flappentap, is het aan het gieten. Mij niet gelaten met m’n Klim outfit, P en Y daarentegen hebben een zip-in linerpak aan en gaan dan ook bij elke degelijke regenbui met een regenjas & -broek, of regenoverall liggen te vechten. Ik doe simpelweg m’n ventilatieritsen dicht…
Onze route begint dus in de regen, langs de kustweg, die zalig kronkelt en af en toe omhoog en wederom omlaag duikt. We proberen om zoveel mogelijk de grote National langs de kust te vermijden door kleinere wegen te nemen, maar op den duur moet je soms een stuk hoofdweg nemen, en dat blijkt dan ook nog mee te vallen.


Wat verder draaien we ’t binnenland in, via een uitermate smal en door velen ongekend bergwegje. Nu loopt de hoofdweg langs de berg, vroeger moesten de mensen de berg over via dit steile ding.

 

 

 


We krijgen enkele km verder ook ons eerste deel verharde gravelweg voorgeschoteld, zal niet de laatste keer zijn deze reis.
Een mooie brug later rijden we definitief noordwaarts, de route naar de Noorse fjorden.


De weg stijgt gestaag zondermeer, soms loopt de route langs watervallen, dan weer langs mooie meren.

 

 


Op den duur draaien we linksaf, de weg naar Lysebotn. Da’s de kronkelpas die je op veel afbeeldingen gaat zien als je op Google iets over Noorse wegen en fjorden opzoekt. De weg over de hoogvlakte is echter even indrukwekkend, P is ervan overhoop geslagen.

 

 

Op het hoogste stuk stoppen we ff, ik laat m’n spoor achter.


Na een km of tien gaat de weg omlaag, en eens je aan ’t grote houten huis passeert begint de kronkel naar beneden.

 


De LysebotnVegen, zoals de pas eigenlijk noemt, is een combinatie van haarspelden en enkele lange tunnels. In de tunnel zelf kom je ook haarspelden tegen, oppassen dus.


Eens beneden sta je voor de keuze, terug omhoog of wachten op de ferry. In elk geval stopt het asfalt hier.


Da’s niks, wij blijven hier op de camping staan. We checken in, gaat allemaal heel relax en chill en dude enzo, deze camping is dan ook een pleisterplek voor basejumpers allerhande, en dat zijn blijkbaar heel relaxe personen. Het imago van de wietsmorende blonde kerel die iedereen dude noemt wordt quasi ten volle bewaarheidt.


Mijn ten van Redverz staat snel recht, en mocht ’t weer tegenvallen (wat ’t zeker niet doet nu, zalig gewoon met zo’n 20°C) kan ik in de ruime voortent gewoon rechtstaan en daar m’n ding doen.

M’n fles vanillejenever komt eindelijk boven water, alcohol is hier pokkeduur dus sleuren we ’t van thuis mee. P en Y hebben liever ’t straffe spul, zij hebben een fles vodka mee.
Moet er waarschijnlijk niet bijzeggen dat we de avond, na eerst nog een stuk voetbalmatch meegepikt te hebben in het lokaal wat als resto/ontbijtruimte/tv plek/etc moet doorgaan, afgesloten hebben met een flink stuk in ons kraag. Allé, ik toch, en een gat in m’n broek gebrand van een peuk, miljaar. Alcool is den duvel. Sloppe…

 

Vandaag is ’t rijden tot een minimum beperkt, niet door de kater want die valt best mee, maar omdat we vandaag gaan wandelen. Inderdaad, zo met de voeten en de benen.

De meest gekende wandelroute in deze fjord is hoogstwaarschijnlijk die naar de Preikestolen, probleem is dat die aan de andere kant v.d fjord ligt. En da’s dik 2u varen op een veel te dure ferry, of minstens even lang rijden met ’t risico om onderweg geen benzine te vinden aangezien het langs kleinere wegen gaat. En dan nog terugkeren ook. Nope, gaat niet gebeuren.
Geen ramp echter, ik ken een andere leuke wandeling hier in de geburen, die naar de Kjeraggbolten. Da’s een ronde steen die geklemd zit in een kloof. Boven je lucht, logisch, maar onder je gedurende de eerstvolgende 500m ofzo ook lucht. Niet voor iedereen geschikt dus.
De wandeling zelf begint aan het houten gebouw enkele km terug de bergpas op. We rijden er met onze wandelkleren heen, de helmen in de lege koffers, en we kunnen aan de wandeling beginnen.


En da’s een flink begin, direct omhoog klauteren waar je zelfs her en der kettingen nodig hebt om omhoog te geraken.


Die kettingen hangen er dus niet om de weg te vinden, maar om je letterlijk naar boven te trekken. Of te helpen met ’t min of meer gecontroleerd naar beneden schuiven subiet op de terugweg.

 


Het is dus een combinatie van berg op, dan weer afdalen, dan weer omhoog klauteren, wederom afdalen, en dan nog eens omhoog alvorens op een ietwat stuk met vals plat te geraken. Maar de prachtige omgeving maakt ’t harde werk de moeite absoluut waard.

 

 


Onze camping helemaal beneden in de verte.


Eindelijk kom je dan, na op en neer te klimmen, op het vlakke deel, dat hoogstens als vals plat kan omschreven worden. Ohja, mooi, dat is ’t ook ja.

 


P en Y komen achter, ik had een demarrage ingezet. Eindelijk m’n tweede adem gevonden na me in ’t begin serieus vergaloppeerd te hebben.


En dan eindelijk, na nog een stuk sneeuw overwonnen te hebben, komt de steen in zicht. De steen, rotsblok, whatever, waar het hem om te doen is.


Ooit gaat die nog eens losschieten, hopelijk niet straks met mij erop. Ga er voor de zekerheid toch maar niet op gaan springen. Als ik er überhaupt al durf op te gaan staan.

Tja, na wat onwennig rond de pot te draaien moet je ’t toch maar proberen. Lukt ’t niet, geen schande, maar niet geprobeerd zou wel heel zuur zijn. Ik ga kijken hoe ik erop moet geraken, achter het rots gedeelte links heb je een stuk van zo’n halve meter breed, alwaar je met een fikse laatste stap op de bol kan stappen. Je moet dus wel ff je verstand uitzetten, want je stap boven een kloof van 500m hoog van vaste rots met een grote, meestal ietwat onzekere stap op een ronde granieten bol die hier wel geklemd zit maar waarvan niemand weet hoezeer hij geklemd zit. Gekkenwerk dus, anyway, ik stap op de bol. Y zit wat te klooien met m’n fototoestel, ik zit mezelf te zeggen om niet naar beneden te kijken, wat ik dus uiteraard wel doe, en ja hoor, ik moet door m’n benen om te gaan zitten. Ik heb geen hoogtevrees maar het doet iets met een mens, geloof me.
Zodoende zit ik op m’n hurkje bij de foto’s. Ik vraag Y en P of ze de nodige foto’s geschoten hebben, want eigenlijk wil ik er af. Ik heb ’t gehad, ben content dat ik ’t gedurfd heb, maar ga me niet onoverwinnelijk voelen, ik moet er nog afgeraken en daarvoor moet ik me weer rechtzetten. Dat gaat flink wat moeilijker dan daarnet.

Damn, ik heb niet rap schrik maar het scheelde niet veel. Hoog man, echt bangelijk hoog, als je naar beneden kijkt. Tip van Flip, als je hier dus ooit ook staat, kijk echt niet naar beneden, of je krijgt met knikkende knieën af te rekenen zoals ik.

 


Y heeft minder angst dan ik, die blijft gewoon staan, P heeft ’t dan weer erger dan ik en durft amper het vaste gedeelte loslaten. Maar allemaal vinden we ’t de moeite en hebben we waarschijnlijk onze grenzen ff verlegd. Een belevenis om niet gauw te vergeten.
De terugweg is dezelfde als de heenweg, we weten dus wat ons te wachten staat. Ik zoek me een tempo dat ik kan aanhouden en tegelijk serieus avanceert, bij de beek moet ik m’n Klim Nac Pak waterzak wel bijvullen, m’n 3l is er reeds door. Die heb ik bijna compleet in de heenweg gebruikt toen ik mezelf buiten adem had gelopen op die 2e bergop. Ach wat, proper bergwater, zal wel geen kwaad kunnen.
De laatste afdaling is dus dat supersteil ding, en dat voel je. Vooral in de knieën, af en toe moet je zelfs schuin afdalen omdat recht naar beneden niet lukt. Het heeft ondertussen enkele keren geregend zonder echt door te regenen, maar de ondergrond is net te glad om recht naar beneden te stappen, na wat draaien en keren geraken we op den duur allemaal terug aan het houten gebouw.
Daar genieten we van een lekkere maaltijd in het restogedeelte. Allé, ik weet eigenlijk niet meer of ’t zo lekker was, maar na een dagje kruipen, klauteren, wandelen en glijden is honger waarschijnlijk de beste saus gebleken.
De afdaling met de motoren is het vermelden niet waard, ’s avonds is er wel nog spektakel doordat het weer uitgeklaard is, en enkele basejumpers gaan springen.


Als ge goed kijkt ziet ge dat die jumpers niks van kleren aanhebben, was blijkbaar een weddenschap maar geen idee of dienen bloten ze nu verloren of gewonnen heeft. Rare kerels die dudes.


Na nog wat naar de voetbal gekeken te hebben, en met enkele interessante en soms ook zelfs minder interessante mensen gebabbeld te hebben keren we terug naar de tenten. Onzen drank is nog niet op, daar proberen we iets aan te doen maar op den duur wordt ’t toch tijd om te gaan maffen.


Moe maar serieus voldaan val ik redelijk rap in slaap.

 

Vandaag rijden we verder, verder noordwaarts. Dat zal nog enkele dagen zo blijven by the way. De LysebotnVegen nemen we nog een laatste keer, we keren terug via de weg ipv de ferry. Het blijft een magnifieke route om rijden, een tweede keer is dus zeker geen straf, integendeel.


De route van vandaag passeert via plaatsen met mooie plaatsnamen zoals Suleskard, daar draaien we verder de Fv987 op die je dan tussen meren, klein en groot, naar de 9 brengt via een leuke afdaling. Het tempo ligt nooit hoog, ten eerste zijn de boetes hier veel te hoog om voor zoiets je reisbudget te spenderen, ten tweede is de omgeving zodanig mooi dat je constant zit links en rechts te kijken, wat stevig doorknallen uitsluit, maar en vooral ten derde, je gemiddelde zit hier constant relatief hoog aangezien er gewoon geen kat op de baan is. Als je 80 mag rijden, en je gaat daar niet over, dan zit je een uur later ook effectief 80km verder. Zodoende leg je toch een flinke afstand af zonder je te moeten haasten. En eerlijk, het is tof rijden, genieten vooral. Ik kan me amuseren om een bergpas op ’t scherpst van de snee op te knallen, maar dit is gewoon ook leuk rijden.


Op de weg 9 lassen we een stopje in ter hoogte van Oyfossen, een plek waar de rivier naast de weg via diverse rotsen en kleine watervalletjes geulen heeft uitgesneden.

 


We rijden verder op de 9 via Bykle en Hovden, tot Haukeligrend, daar draaien we links de E314 op.
Wanneer we de hoogte ingaan zakt de temperatuur makkelijk onder de 10°C, in de vallei is ’t dan weer een aangename 18°C ofzo. De mooiste stukken zijn echter de hoger gelegen delen.



Die E314 blijven we volgen tot Skare, daar duiken we rechts naar beneden. En passant komen we langs één v.d mooiste watervallen van Noorwegen, de Latefossen.


De baan is hier niet alleen nat van ’t spatwater, het is hier ondertussen serieus beginnen regenen ook. Zal het ook blijven doen het gehele stuk langs de Hardangerfjord naar Eidfjord. Ik heb Eidfjord als eindpunt van vandaag, morgen kunnen we even tot aan de Voriongfoss rijden, anderzijds moeten we een stuk terug om verder noordelijk te blijven mikken. In Ovre Eidfjord, een dorpke een zakdoek groot, vinden we een camping met nog plek voor ons. In Eidfjord zelf blijkt alle overnachting volzet door één of ander jeugdvoetbaltornooi, zelfs op onze camping loopt ’t vol met hoopvolle en mogelijk beloftevolle jonge voetballerkes. Tent opzetten en potje koken gebeurt in de nog immer niet aflatende regenbuien, ik lach in m’n vuistje met m’n verplaatsbaar appartement van mijn Redverz tent, eens hun tentje rechtstaat (veel later dan de mijne uiteraard) zitten P en Y al snel in mijn voortent ons potje te koken. Water koken, droogvoer van Travellunch, eigen bestek en je bent gesetteld.


Tegen de avond, we zitten hier wederom een stuk noordelijker dus echt donker wordt ’t vanaf hier eigenlijk niet meer, droog ’t op. Het meer krijgt een deken van wolken op zich, ik heb er goeie hoop op dat ’t morgen terug mooi weer is.

 

En kijk, ik heb gelijk gekregen. De ochtendzon is volop aanwezig, direct een ander zicht dan gisteravond.


Kamp wordt opgekraamd en we draaien de 7 verder oostelijk op om tot aan de Voringfossen te rijden. De moeite waard al had ik er zelf iets meer van verwacht, waarschijnlijk kun je als wandelaar mooiere viewpoints bereiken, maar vanop de baan zelf is dat het beste wat je ziet.


Terug de andere kant oprijden, in Eidfjord, waar ’t nog altijd storm loopt van de kleine voetballerkes, stoppen we bij een kleine supermarkt voor de picknick inkopen, we zijn er bijna talk of the town hoe men (vooral de kleine gastjes dan) ons staat te beloeren.
Nog ff enkele km’s terugrijden en dan in de tunnel langs de fjord de juiste afslag nemen die naar de brug over de fjord loopt. Een toch wel imposant bouwwerk vind ik. Je ziet ’t van ver al liggen, uitgestrekt over de zee-engte met z’n armen precies de oevers vastklingend.


Je rijdt dus een tunnel in, in de tunnel zelf is een afslag en dan draai je de brug op.

 


Bruggen, en tunnels, hebben een bizarre aantrekking op mij, ik vind ’t knappe dingen, gemaakt door mensen die er jaren voor over hebben om toch maar een verbinding naar mekaar te maken. Uiteraard ook veelal commercieel geïnspireerd, maar toch, je moet ’t maar doen zeg ik maar.

 


Langs de ander kant is ’t hetzelfde, de brug boort zich recht de fjordwand in, met een tunnel tot gevolg. Laat ’t maar aan de Noren over om lange tunnels te bouwen, ze kunnen er wat van. Dit is evenwel de laatste tunnel die ik hoop te nemen, de andere tunnels laten we allemaal mooi links liggen omdat de oude passweg over de berg vele mooier is.

Vandaag is een speciale dag voor ons Belgen, op het EK Voetbal dat we uiteraard gaan winnen, spelen de Belgische sterspelers tegen de onbehouwen beenhakkers van Ierland. Na een match tegen Italië die we, puur strategisch, verloren hebben moeten we wel echter de Ierse rakkers opzijzetten, en liefst nog zonder kaarten of blessures op te lopen, het is nu al een patchwork in de verdediging.
Nu, P en ik zijn voetbalfans, Y half ’n half, we overtuigen Y dus om ergens ruim op tijd in één of ander stadje een café of bar te zoeken en daar de match te kijken. Mocht ’t tegen Noorwegen zelf zijn konden we ’t waarschijnlijk in alle cafés die halfslachtig een tv staan hebben bekijken, nu moeten we in Vossevangen toch ff goed uitkijken en rondrijden maar op den duur vinden we een plek, een café, en ze zenden alle matchen uit, ook de belangrijkste, die van de Belgen dus. Gewapend met een vlag en met ’t idee dat zelfs met een verhakkelde en inderhaast neergeplante driemansverdediging de Ieren geen kans maakt kijken we naar de match.


90 minuten en een 3-0 overwinning later kunnen we vastberaden verder, we gaan dat Ek simpelweg winnen.
Na het voetbalintermezzo rijden we door, we hebben vandaag nog wat in petto. De E16 wordt gevolgd, in Gudvangen rijden we een tunnel in, daar heb je geen keuze meer maar in Autrlandsvangen heb je wel een keuze. Je duikt ofwel de 24,5km lange Laerdalstunnel in, ofwel neem je de 48km lange Aurlandsvegen, de oude pasweg over de bergen. Die brengt je van zeeniveau tot 1309m hoogte en terug naar beneden, deze weg wordt ook wel een Snoveg genoemd omdat de sneeuw tot laat in de zomer kan blijven liggen langs de weg. De weg zelf wordt meestal begin juni geruimd, we kunnen dus in principe een open weg met veel sneeuwmuren verwachten.
Geen paniek, het stuk tussen de Gudvangen en Aurland zelf is ook de moeite hoor, je zit in een komvallei, en links en rechts van je komen hoge watervallen naar beneden gedonderd.


Ergens in ’t begin van de zeer smalle Aurlandsvegen, vol met uiterst nauwe en enge haarspelden belegd, staat een mooi houten bouwwerk, welke je een prachtig zicht biedt op de Sognefjord, de op één na langste fjord ter wereld. Ff een doordenkertje, je zit hier meer dan honderd km landinwaarts, en hetgeen je dus ziet aan water is de zee, alsof een brede kloof in België tot in Brussel zou lopen en dan nog eens zou aftakken tot enerzijds Charleroi, en anderzijds Leuven. Indrukwekkend zondermeer.


Het zicht vanop het houten bouwwerk, Stegastein genoemd, is gewoon schitterend. Op ’t eind van het houten deel is een glasplaat geplaatst zodat je het gevoel hebt dat er geen einde is, mensen met hoogtevrees gelieve hier rekening mee te houden.


Nu, toch maar verder knallen. De route klimt gestaag omhoog, op den duur zit je op de hoogvlakte en komen de sneeuwplakken en -muren in zicht.


Prachtige route, gewoon ff een rits foto’s plaatsen, zegt meer dan genoeg.

 


P maakt deze coole foto van mij, vind ik een heel geslaagde, thanks P 😉


Uiteindelijk zakken we dus terug af naar zeeniveau, en komen we rond Laerdal terug aan dezelfde fjord, maar dan een andere tak, terecht. In Laerdal zelf besluiten we aan de lokale camping halt te houden. Het is goed geweest voor vandaag, ondanks het bijna 3u durende getalm, gezoek en genot van de voetbalmatch zijn we toch min of meer op schema kunnen blijven rijden. Hier is een camping met een restaurant, we twijfelen dan ook niet. Wel staat er serieuze wind, je zit hier op ’t eind van dit stuk fjord en de wind klappert om je oren. De tenten opzetten is dan ook ff weten wat je doet. Maar ’t lukt, en we zitten, dik honderd km ver inlands, met zicht op zee te kamperen.

’s Ochtends is de wind geluwd, tenten afbreken en weg. Ontbijt scoren we wel ergens onderweg ofzo. We nemen direct een volgende tunnel en daarin op ’t eind rechtsaf, de 53 op richting Ovre Ardal. Een mooie doch niet bijster spectaculaire weg. In Ovre Ardal is ’t ff zoeken naar wat een heel smal weggetje wordt, je moet er heel ’t dorp voor doorrijden en wanneer je denkt dat je aan ’t eind bent draai je plots de volgende attractie op, de Tindevegen.


Moest ’t nog niet opgevallen zijn, het weer zit weeral goed mee. Zonnetje en temperaturen van rond de 20°C op zeeniveau tot zo’n 10°C op de hoogtes, perfect gewoon.
Tindevegen begint met een mooie waterval, ff stoppen, enkele fotookes schieten terwijl m’n kompanen aan ’t verderknallen zijn, ze zullen wel op mij wachten op den duur.

 


De eerstvolgende km’s zijn heel nauw, en draaien links en rechts als een slang op speed. Wie ooit al de Gavia, Mortirolo en Zoncolan heeft gereden, mix die drie en trek daar een soepje van, en je weet wat je hier krijgt voorgeschoteld. Eens voldoende hoogte gewonnen wordt de weg breder, en vloeiender, je komt wederom terug op de hogere vlakte te rijden.


Beneden nog echt warm in de zon, hier ga je terug naar zo’n 1300m boven zee, het duurt dan ook niet lang eer we terug tussen de sneeuw zitten.


Tindevegen blijkt een tolweg te zijn. Nuja, om dit quasi ongerept bochtenfestijn sneeuwvrij te houden wil ik wel meedokken. Ik weet niet meer hoeveel de tol was, maar ik weet dat ’t geen overdreven prijzen zijn. Anyhow, betalen en verder rijden…


Tindevegen loopt van Ovre Ardal tot Turtagro. Daar maak je de aansluiting met een andere prachtige route hier, de Rv55 ofte de Sognefjellsvegen. Die loopt van Skjolden, aan een wederom andere tak van dezelfde Sognefjord gelegen over de Jotunheimen Nationalpark richting het dorpke Lom.
Turtagro blijkt niet meer te zijn dan een groot hotel, en enkele bijgebouwen. Ziet er mij wel een cool spel uit nekeer te blijven overnachten, wie weet een andere keer.


De Sognefjellvegen is terug zo’n route die je tussen de sneeuwvlaktes stuurt, gedurende km’s rijden we naast half bevroren meren, zien we nog langlaufers in actie. Wie denkt dat ik overdrijf moet zelf maar eens komen kijken.

 

 

 


Tijdens de afdaling naar Lom krijgen we onze eerste regenvlaag te verwerken, ook eens iets anders na dagen zon. Ging op den duur al denken dat ik in ’t zuiden zat.


Lom heeft een tankstation. En zoals elk zichzelf respecterend tankstation in Noorwegen heeft dit tankstation dus ook een verkoopstand van hamburgers etc. Je moet geen volwaardige frituur verwachten, en je mag al tevreden zijn dat de verkoper weet hoe ’t ding te gebruiken, maar ’t biedt wel een warme snack na een uur rond amper 5°C gezeten te hebben. En die temperatuur is hier in Lom niet veel hoger, hier zitten we niet meer op zeeniveau. Kortom, we eten een hamburger in een tankstation in Lom, hadden jullie wel al door me dunkt. Spektakel wordt buiten verzorgd door dezelfde bende Japanners die we gisteren aan ’t begin v.d Aurlandsvegen gelukkig snel zijn gepasseerd, die Japanners hebben met een grote familie 3 motorhomes gehuurd, en zijn de naar hun maatstaven grote en lompe voertuigen ab-so-luut niet gewoon. Ik denk dat we zeker een kwartier hebben staan kijken eer ze van de parking vertrokken waren. Soit, dinner, and a show…

Nog iets wat Lom ook heeft, een staafkerk verdorie. Yep, zo’n kerk uit hout gemaakt, naar ’t schijnt heel speciaal. Nu, het is geen bergweg, en al helemaal geen tunnel of brug, dus zal me worst wezen, maar als ik er dan toch ben kan ik evengoed maar eens met de anderen gaan meekijken.


Ok, staafkerk gezien, en wijle weg. Verder de 15 volgen, richting noordwesten. Niks mis met deze weg, mooi om naar de omgeving te kijken terwijl je op ’t gemak aan ’t cruisen bent. We passeren Donfoss Camping, wat me wel een heel mooie kampeerplaats lijkt te zijn. Helaas niet voor ons, wij moeten nog flink wat rijden vandaag. Op een zeker punt, net tegenover Grotli Hoyfjellshotell, draaien we linksaf, we nemen de 258 en da’s een niet geasfalteerde weg. Onze eerste (weliswaar makkelijke) onverharde weg van deze reis de naam waardig.
Het stiekeme in zo’n weg is dat die moeilijker met een motor te rijden is dan met een auto. De weg ligt perfect vlak, dus voor een auto is er eigenlijk niets aan de hand, voor onze tweewielers is het feit dat de ondergrond bestaat uit fijn split, kleine ronde kiezelsteentjes, geen cadeau. Het voelt onder je wielen aan als een mix van bruine zeep waar een pak klonters in verwerkt zitten. Zeker nu de weg nat ligt is ’t ff wennen aan het constante wegglijden in de bochten. Het uitzicht maakt dan weer alles goed. Niet dat er veel goed te maken is, het onverharde pisterijden hoort nu eenmaal bij een rondreis in Scandinavië op een allroadmotor als de onze.


We stoppen onderweg eens om van de stilte te genieten, deze weg is natuurlijk veel minder frequent in gebruik dan de andere geasfalteerde wegen.



Op den duur staan we naast een zomer skistation, blijkt het Stryn Summer Ski Centre te zijn. De 258 is ook beter gekend als de Gamle Strynefjellsveg voor wie ’t wil weten.

 


Skiën in de zomer, lijkt me wel een leuk tijdverdrijf als je hier in de omgeving woont. Ik weet niet of je in de Alpen nog op veel plekken het hele jaar door kan skiën, hier dus blijkbaar wel. Leuk om weten voor wederom een volgende keer 😉
De weg wordt een mix van gravel en slecht asfalt, en zakt met een serie haarspelden plots naar beneden. Daar maken we terug verbinding met de 15 die we daarnet hadden verlaten om de 258 te rijden, we duiken enkele tunnels door die ons spijtig genoeg de wondermooie omgeving niet laten bewonderen, makkelijk voor ’t doorgaand verkeer maar spijtig voor ons toeristen die graag het landschap willen zien. Achtereenvolgens duiken we dus de Ospelitunnel, de Grasdalstunnel en op den duur de Oppljostunnel in, tot we rond Langvatnet links de 63 kunnen nemen.
Het weer is hier guur bezig, amper enkele graden boven nul, flink wat wind en het blijft alleszins niet droog. Spijtig dat ik er niet aan dacht om enkele foto’s te schieten, het was in elk geval een indrukwekkende omgeving met sneeuw, ijs, bevroren meren en daar eenzaam tussen, enkele motards op doortocht.
Aan het volgende meer, Djupvatnet, kan je rechts een doodlopende tolweg nemen, Dalsniba. Die loopt naar een viewpoint op de 1476m hoge berg vanwaar je de Geirangerfjord kan zien liggen. De tol is niet mis, maar toch gaan we omhoog. Beetje gek om dit te laten liggen als je hier dan toch bent. Ik heb echter geen vertrouwen in ’t weer, het zit al een tijd potdicht boven ons hoofd en nog hoger gaan kan ofwel in de wolken zitten, of met wat geluk boven de wolken zitten. Maar dan nog zie je geen fluit naar beneden.


De weg omhoog is best spectaculair te noemen, of uitdagend als je ’t wil. Eens boven op ’t eindpunt is het zicht jammer genoeg allesbehalve spectaculair te noemen.



Daar kan je moeilijk lyrisch over worden. Anyway, close but no cigar. Je voelt wel dat je hier hoog zit, tegen dat we vertrekken begint het hier zelfs gewoon te sneeuwen. Geeft ’t toch wel wat extra sfeer 😊


Een pak lager komen we vanonder het wolkendek vandaan, en staan we precies in een ander land, de temperatuur schiet spreekwoordelijk per gedaalde meter omhoog en op den duur hebben we ’t zicht dat we graag boven op de berg hadden gehad. Een cruiseschip in de Geirangerfjord.


Van hier boven nog precies een klein bootje, beneden als je er naast rijdt is ’t eigenlijk best wel een flinke kolos.


Een km voorbij het dorpke, een druppel groot maar wel serieus doorspekt met potsierlijke en duur uitziende hotels, gaat de route terug omhoog. We verlaten de Geirangerfjord met nog een laatste stop ter hoogte van het Ornesvingen viewpoint.


’t Is al laat aan ’t worden, stilaan beginnen kijken om ergens te slapen te vinden. In Eidsdal staan we voor de keuze, de ferry nemen en tot Valldal rijden wat nog een dik uur duurt, hier iets zoeken maar da’s gene vette, of de pijlen volgen die ons vertellen dat er zo’n 5km verder in Norddal iets te slapen is. Toch maar gauw tot Norddal rijden dus, blijkt dat we daar een camping vinden, een soort van B&B maar dan met eigen tentje. Avondeten wordt voor ons opgediend in het mooie ofte statige restaurantgedeelte boven in het woonhuis, beneden is de ontvangstruimte en de privé ruimtes.

Bij deze een fotootje van op het terras waar we als echte venten onze koffie zijn gaan opdrinken, en dit omstreeks 23u00. Zalig toch die middernachtzon.


Ik zou zeggen dat we tegen den donkere in ons beddeke lagen, maar dat kan dus niet. Heb wel goed gegeten, en daarna goed geslapen ook. Meer weet ik nimeer 😉

Vandaag staat de rest van de Geiranger-Trollstigen route op het programma. Wordt meestal in één adem genoemd maar het zijn dus twee aparte delen, waar zeker een uurke of twee rijden tussen zit. Eerst terug naar de ferry in Eidsdal, daar de fjord oversteken, en dan verder bollen.


Kalm vandaag, amper een auto of acht en wij als enige motards. Tof om verder de berg op te snorren zonder te moeten wringen tussen horden toeristen. We komen terecht in wat waarschijnlijk één van de mooiste regio’s van Noorwegen moet zijn, een wondermooie vallei tussen spitse bergen, omringd door meertjes links en rechts.


P en Y rijden ff door, we spreken af aan de Trollstigen. Eens daar gekomen parkeer ik de Yamaha tussen de auto’s, en zie P en Y net vertrekken. Die hebben me dus niet zien toekomen, en denken waarschijnlijk dat ik al verder ben gereden. Gene stress, ff sms’ke sturen en nu eerst rondwandelen en van de het uitzicht genieten. Leuke is dan weer wel dat ik P en Y op foto kan zetten terwijl ze de afdaling inzetten.


Ik ga eerst maar ff rondlopen hier, ’t is hier zeker een stop en klein wandelingske waard.



Toeristisch tot en met, dat wel, maar toch een echte aanrader. Zou zonde zijn om dit niet in een Noorwegen rondreis te steken omdat je de gekende paden wil ontwijken.


Ondertussen antwoord van P gekregen, ze staan op mij te wachten beneden aan de eerste benzinepomp, we moeten toch tanken en iets van eten zien te scoren. Lijkt wel of we nog maar net vertrokken zijn, maar ondertussen zijn er toch alweer meer dan honderd km’s op de dagteller gezet. Onderweg, eens je zo goed als beneden bent, passeer ik dit drietal.


Moest ik per se voor een bepaald iemand op foto zetten 😉
Met zicht op de monding van het riviertje gegeten, en getankt, kunnen we weer verder. We volgen het fjord tot we de afslag Overas tegenkomen, daar moeten we rechts de weg volgen.


Deze weg loopt eerst langs een meer, biedt op een zeker punt zicht op één van de volgens mij mooiste watervallen van Noorwegen en draait stilaan maar zeker omhoog.


Plots stopt het asfalt, we beginnen aan het onverharde deel van de Aursjovegen. Ben benieuwd, niet dat we echt een onverharde piste oprijden, maar ik heb horen zeggen dat deze gravelweg toch iets meer uitdagend is dan de meeste platgereden wegjes, al was ’t gewoon maar omdat het eerst serieus omhoog draait en keert, met een deel zelfs door een onverlichte tunnel.

 


Weeral split op de weg, het glijdt als de pest. De motor in de flauwe bochten zo recht mogelijk houden is de boodschap. Eens boven komen we op een winderige en natte hoogvlakte terecht.

 


Rond Aursjohytta komen we aan de stuwdam, het waait er serieus en P voelt zich een beetje opgeblazen.

 


Na een km of dertig schat ik, zakt de weg terug naar beneden, de winstoten verdwijnen als sneeuw voor de zon en het gure, natte weer klaart ogenblikkelijk op.

In Sundalsora komen we terug in de bewoonde wereld terecht, en ik besef plots dat dit plekje de meest noordelijkste stad is van deze reis. Vanaf hier draaien we terug naar het zuidwesten, de spreekwoordelijke terugreis is ingezet. We volgen de 70 zuidwestwaarts en spreken af dat we wel ergens zullen stoppen als we een leuke camping tegenkomen waar ’t mooi weer is. Een dikke 35km verder zien we in een bocht pijlen staan, Gjora Kro & Camping. Toch maar ff kijken. Ziet er dik in orde uit, P en Y nemen een hut, ik ook, makkelijker dan een tent moeten op te zetten en wel eens zin in een echt bed. De wifi is super, zelfs op de camping zelf, zoals op de meeste campings hier in Noorwegen. Het obligate telefoontje of Whatsappje naar het thuisfront voorbij koken we ons eigen potje (niet veel nut om die dingen mee te sleuren als je er geen gebruik van maakt) en komen de resterende flessen korte drank op tafel.
Onbegrensde wifi, sterken drank en soms hilarische YouTube filmkes van vroeger, het was een leuke avond 😊

Naast de camping is een supermarkt, net groot genoeg om ons ontbijt samen te stellen. Beetje eten, en terug verder rijden. Nog een deel naar ’t zuidwesten over de 70 tot Oppdal. Daar nemen we de E6, de drukste toeristenweg van Noorwegen, naar ’t zuiden. Het stuk tussen Oppdal en Bombas is eigenlijk best wel mooi. Saai rechtdoor weliswaar, en ondanks voortdurend links en rechts kijken heb ik geen elanden gespot. Jammer, had wel een eland willen zien. Nu moet ik ’t doen met een sticker van een eland.

 


In Dombas zien we een geschikte plek voor onze picknick, ’t is nog ewa vroeg ofzo, maar ons ontbijt was dan ook eerder wreed summier te noemen. Het duurt dan ook niet lang of mijn kompanen zijn overtuigd om hier een knabbelke te eten.

We hebben tijd, de uitgebreide lunch duurt makkelijk anderhalf uur eer we terug de brommers opstarten. Ne mens moet van zijn eten leren genieten, niewaar 😉
In Dombas volgen we even de E136 in westelijke richting, enkele km verder nemen de we lokale Fv496 en nog enkele km verder draaien we linksaf een onverharde bergpas op. Ik weet de naam niet meer, maar ’t is alvast de moeite om ’t op te zoeken. Anyway, prachtige route over een hoogvlakte, met tientallen meren en prachtige verzichten.

 

 

 


Op ’t eind van de route kom je in Vagamo uit. Daar, in Vagamo, weet ik nog een min of meer verborgen pareltje liggen. De onverharde klim naar de Blaho zendmast, een berg van +1600m hoogte met voor de rest eigenlijk bizar weinig info te vinden.
De route gaat via een reeks bochten omhoog op een makkelijk berijdbare onverharde piste. Eens je wat hoogte hebt overwonnen kom je op het vlakkere gedeelte terecht, gelijk op quasi eender welke hoogvlakte liggen hier tientallen vijvers rond je. De weg kronkelt er tussendoor.


Nog een stuk verder heb je dan eindelijk zicht op de route naar de top, die is op ’t einde nog flink steil me dunkt.


Naarmate we hoger komen gaat ’t lieflijk karakter van de piste stilaan over in iets wat je eerder in de Alpen zou verwachten op zo’n oude militaire piste. Zeker de laatste km is opletten want de hellingsgraad en ruwe ondergrond maken het er niet echt makkelijk om. Maar al bij al raken we allemaal goed boven, eigenlijk is ’t goed te doen, ik had ’t gewoon niet verwacht na al die km’s aan makkelijke gravelwegen dat we hier nog een beetje uitdaging tegen ’t lijf zouden lopen.

 

 


Het zicht rondom hier is ongelooflijk. Je hebt hier 360° zicht, en aangezien je op ’t hoogste punt van de omgeving staat zie je hier werkelijk km’s ver.


Naar beneden rijden blijkt makkelijker, je hoeft er dan ook nergens echt de snelheid uit te halen aangezien ’t recht omhoog of omlaag is, de brommer kan dus gerust in tweede blijven tokkelen zonder bij te remmen.
Die eerste km voorbij is ’t eigenlijk terug gewoon rijden zoals op andere gravelwegen, genieten van de omgeving en zorgen dat je niet glijdt door de kleine, ronde kiezeltjes.



Dit was dan ook ons letterlijke hoogtepunt van deze reis, hoger gaan we niet, ik denk dat je ergens in Jotunheimen Nationalpark nog een hogere weg hebt maar veel meer zullen het er niet zijn in Noorwegen.

Eens beneden nemen we de 15 in zuidwestelijke richting, die voert ons naar Otta waar we dan geen keuze hebben, we moeten terug die toeristische E6 op. Vanaf hier zoeken we naar een camping, ’t is nog niet heel laat maar we zitten nu al een deel van de route van morgen te rijden.


In Kvam, een dorpke waar de vernieuwde E6 door een bergflank gaat maar waar wij de oude route volgen, zou een camping moeten zijn. De bewegwijzering mag wel duidelijker, we hebben er met ons drieën goed moeten naar zoeken. In ’t dorp zelf is een restaurantje oid, we zetten de tentjes op en gaan ons wandelingske doen, op zoek naar eten. Feit dat ik al lang niet meer weet wat ’t was, of ’t lekker was, of we überhaupt iets gevonden hebben in ’t dorp dan wel onze persoonlijke proviand hebben moeten aanspreken doet me vermoeden dat ’t sowieso niet was om huis over te schrijven. Slapen lukt hier al weer beter, wederom iets zuidelijker dus meer donkerte ’s nachts.

Na het opstaan en de tenten opplooien, motoren opzadelen etc, de dagelijkse sleur dus, is ’t ff zoeken op de gps. We moeten binnen een vijftal km’s rechts, weg van de E6, om de onverharde Peer Gyntvegen te zoeken. Die loopt grotendeels parallel met de E6 maar waar de E6 in de vallei de rivier volgt blijft de Peer Gyntvegen de toppen van de heuvelrug volgen. Pas rond Lillehamer moet je terug naar die E6 zakken.

Soit, eerst nog wat bochtjes pakken op de Fv255 van Vinstra naar Skabu, daar vind ik, dankzij de wegwijzers, de entree van de Peer Gyntvegen. Een mooie, onverharde route weg die over de heuvels ten noorden van de hoofdstad kleine nederzettingen van vakantiehuisjes met mekaar verbindt, eindigend in een skidorp waar jaarlijks nog het wereldbekercircus passeert. Na enkele km passeren we een onbemand tolhuisje. De Noren rekenen erop dat je eerlijk genoeg bent om de rekening correct te betalen en een papiertje in te vullen, samen met ’t geld in een enveloppe in een bus te deponeren. Beetje zoals de Nationale campings in de staatsparken in de US werken.
Blijkt dat motoren niet moeten betalen, wij mogen dus gewoon doorrijden terwijl de Duitse Golf achter ons z’n briefje moet invullen.


De route zelf is zalig om te rijden, makkelijk genoeg om niet het gevoel te hebben dat je op split rijdt, de omgeving is fantastisch weids en indrukwekkend mooi. In de verte zien we de laatste bergen achter ons, vanaf hier wordt ’t veel platter, ttz, de hogere bergpieken zullen compleet verdwijnen en ruimen plaats voor veelal afgeronde heuvels.

 

 


Iets voor Lillehammer zakken we terug naar de vallei, het is helaas gedaan met mooie, al dan niet onverharde, bergwegen in Noorwegen, tegen vanavond zouden we kortbij of reeds op Zweedse bodem moeten staan.
We besluiten om tijdens de afdaling te stoppen voor een vroege middag picknick, eens beneden is ’t hoogstwaarschijnlijk ettelijke saaie km’s afmalen op die E6, die ervoor gekend is tussen Oslo en Lillehammer van echt wel doodsaai te zijn. Eens in Lillehammer is er eigenlijk niets dat eraan doet herinneren dat ’t ooit een Olympische winterstad is geweest, beetje jammer eigenlijk. We stoppen om te tanken, zijn we daar al vanaf, en schieten ons de saaie E6 op, richting Kongsvinger, zowat de laatste grote stad voordat je op de 2 (aan Noorse kant) en de 61 (aan Zweedse kant) de grens oversteekt. Eens de E6 verlaten valt de route best mee, je rijdt door bossen over de 24, op zich wel een aangename weg en al zeker een verademing met die inderdaad verschrikkelijk saaie (mede doordat je er maximum 80 mag rijden) E6.


In Kongsvinger aangekomen zoeken we ff op de smartphone naar een hotel oid, we willen vanavond absoluut de match België-Zweden zien. Helaas, op de smartphone niets te vinden, zelfs geen B&B, wel enkele campings verder in de richting van Kongsberg, de eerste stad net over de Zweedse grens. Aangezien we vanavond tegen Zweden moeten spelen is ’t misschien geen supergoed idee om tot in Zweden te rijden en daar in een sportcafé naar de match te kijken, er moet maar één heethoofd zitten die drie Belgen in z’n vizier krijgt en ’t is ambras. Want dat de Zweden gaan verliezen staat als een paal boven water.
Op de camping blijkt ’t goed mee te vallen, we kunnen elk een hutje nemen en wonder boven wonder, elke hut heeft tv. We kunnen de match dus volgen deze avond. Als dat niet goed geregeld is 😉
De avond verloopt vlot, zoals verwacht worden de Zweden naar huis gestuurd door een kanonskogel van Radja Nainggolan, een zuinige maar verdiende overwinning. Blijkt dat we met de eerste match tegen Italië te verliezen nu tegen de verrassend goed spelende Hongaren moeten uitkomen. Die match is voor als we reeds terug thuis zijn, het voetbal kan nu dus ff aan kant geschoven worden, we hebben beide matchen kunnen zien wat op voorhand geen zekerheid was.
Bytheway, ’t is hier eigenlijk een mooie omgeving, we maken voor ’t eerst in meer dan een week een echte zonsondergang mee. Nu slapen sie…

Amper een km of 30 nadat we de camping achter ons hebben gelaten zitten we aan de Noors-Zweedse grens. Daar toch ff stoppen en genieten van ’t derde land op rij dat ik voor ’t eerst op motorreis bezoek, na Denemarken en Noorwegen. Zweden had ik wel reeds bezocht, maar dat was voor ’t werk, en dan telt zoiets niet me dunkt.


Onze route vandaag moet ons tegen vanavond naar de Zweedse kust brengen, maar eerst gaan we rond het onooglijke kleine dorpke Bastnas, dat op amper een scheet van de grens langs Zweedse kant ligt, zoeken naar een plek waar ik in de loop der jaren al eens foto’s heb zien opduiken op ’t net, meestal op sites van verloren locaties of verboden plekken. Het is een plek die altijd in m’n gedachten is blijven hangen, met ’t idee van “ooit ga ik daar toch nekeer passeren, dan moet ik ’t zeker gaan bekijken” en nu met dit jaar de passage via Zweden te maken is het dus zover. Desondanks was er weinig exacte info op ’t net te vinden, ik had op den duur een locatie met gps coördinaten maar die was amper tot op enkele honderden meter nauwkeurig. Op ’t eind ff gestopt en bij een Zweed gaan vragen, en ja hoor, nog tweehonderd meter en dan zijn we er.
Ohja, de weg er naartoe leidt ons door dorpkes verlaten en quasi van de buitenwereld afgesloten, over onverharde wegen, via meren en voorbij schuren.


Maar dan, plots, zijn we er, geen attractie of toch niet daarvoor gecreëerd, het is gewoon een uitermate bizar, knap en tegelijk triest schouwspel geworden door de jaren heen.

Soit, hier is het autokerkhof van Bastnas…

 

 

 

 

 


Blijkt dat hier vroeger twee Noorse  broers een handeltje zijn opgestart in tweedehands autostukken, het handeltje bloeide omdat ze in Zweden inkochten en aan de Noren doorverkochten, alwaar het in Noorwegen toendertijd vele duurder was. Op een zeker moment hadden ze hier honderden wrakken staan. De broers werden ouder, één van hen overleed en de andere had genoeg geld verdiend om er zich niet meer mee bezig te houden. Wel wilde hij absoluut het kerkhof houden, de man vindt ’t absoluut niet erg dat er tussen de wrakken wordt gewandeld maar wil wel dat alles in dezelfde staat wordt achtergelaten als hoe je ’t vindt. Indrukwekkende plek vind ik als autofanaat, beetje triest als je sommige mogelijke pareltjes ziet wegkwijnen, maar dat maakt ’t tot wat het is.

Anyway, ons deel urban exploring voor vandaag is gelukt, we kunnen verder naar de Zweedse kust mikken. Da’s nog een flink stuk rijden. Ik heb als bestemming Ramsvik Stugby & Camping in Hunnebostrand gekozen, een omgeving die ik al indertijd, toen ik voor ’t werk in Göteborg zat, al eens heb verkend. De eilandenkust tussen Götheborg en de Noorse grens is prachtig, ruw, indrukwekkend, althans dat was me na die jaren bijgebleven. Is ondertussen al bijna 10j geleden dat ik hier ben geweest. Moet natuurlijk lukken dat we na ettelijke dagen mooi weer nu plots op een regenwolk afstormen, zorgt ervoor dat we de laatste 100km in kletsende, gietende regen moeten bollen, wat ’t uitzicht en het gevoel dan weer geen goed doet. Eens aan de camping gekomen blijkt deze bommestevol te zitten, er zijn enkel nog kleine hutjes, een hondenhok groot, verkrijgbaar voor de prijs waar je een volwaardige hotelkamer voor kan vinden, no way dat ik in een hondenkot ga zitten met dit weer.


Ff op de smartphone kijken, en ja hoor, voor minder hebben we in Lysekil een hotelkamer de man. Snel boeken die kamers, en de laatste 45km die wel lang duren tot ginder in de immer constante regen afleggen.


Daar komen we bij Strand Hostel & Hotel uit, prima kamers, aangename service, de motoren mogen in den hof achteraan staan en in ’t dorp is een pizzeria, meer moet ’t niet zijn.


Zweden zijn gek van oude Amerikaanse auto’s. Die komen dus om de haverklap met hun sleeën buiten, eender welke reden is goed om een toerke te maken, alleen of in groep. In ons hotel hebben enkele eigenaars afgesproken, blijkbaar is er morgen een rondrit gepland in de omgeving.

’s Ochtends is het weer totaal  veranderd, het ziet er naar uit dat we weer een dagje zon moeten verduren. De omgeving wordt van ’s morgens vroeg al opgeschrikt door ’t geronk van Amerikaanse V8’en. We besluiten om het stadje Marstrand te bezoeken, was als ik ’t nog goed weet een toffe route om rijden, over bruggen en overzetten.


Aan overzetten geen tekort, we nemen er in totaal een stuk of acht denk ik, allen gratis want maakt gewoon dele uit van het wegennet, maar ’t gaat op den duur wel tijd kosten.

 


Op den duur zijn we er, ’t is al iets na 14u, tijd dus voor een hapke. In ’t bureautje waar je als bezoeker een ticketje moet kopen voor de overtocht naar ’t autovrije stadje, dat eigenlijk op een eiland ligt, kunnen we iets te eten nemen. Prima voor mij, en m’n kompanen. Eten met zicht op een bonte mensenmassa aan ‘t water, het jonge vrouwvolk veelal getooid met bloemen in hun haar. De nakende midzomernacht doet blijkbaar iets met noorderlingen.


Van hieruit rijden we verder binnendoor naar Göteborg, had graag de tijd gehad om hier eens rond te rijden, maar we rijden door. Wat we vandaag nog rijden moeten we morgen niet meer doen, en morgen willen we eigenlijk Duitsland halen. Zodoende heb ik amper de tijd om in Göteborg enkele foto’s te schieten, al rijdende nog wel.


Wie de stad kent herkent het “Lipstick Building” en de masten van de Viking, een oude viermaster die nu dienst doet als hotel en aan de ketting ligt.

Van daar is ’t autosnelweg op, en we zien wel hoever we geraken. We stoppen nog een keer vooraleer de autosnelweg op te duiken, kwestie van de violen gelijk te stemmen. We kiezen om een camping te nemen rond Bastad, Skummeslovs Ekocamping in ’t gelijknamige kustdorpke. Is zo’n 160km autosnelweg, ff anderhalf uur saai doorknallen, voorbereiding op wat morgen en overmorgen te wachten staat. De afslag genomen is de entree v.d camping nog enkele km verder.

We stappen binnen bij de uitbater z’n winkeltje, en vragen voor de prijs voor 3 tentjes. Hoe we op den duur daar zijn geraakt weet ik al lang niet meer, maar het komt er op neer dat we op den duur voor de prijs van 2 ’n half tentje elk een hutje kunnen nemen. Tja, dan wordt de keuze wel heel gemakkelijk. De ander hutjes zijn allen verhuurd aan een Zweedse familie, de jongens zien mijn plastron in de Belgische driekleur aan m’n topkoffer hangen en er begint eentje met een Zweeds vlagje te zwaaien maar tegelijk met een mistroostig gezicht dat ik er bijna compassie mee heb. Tja, winnaars en verliezers zeker…
Ff douchen, omkleden en dan naar ’t dorp dat nog een halve km verder naar ’t strand ligt, wandelen. Het is een beetje een raar dorp, precies kunstig gemaakt, puur voor strandtoerisme. Het strand is net zoals in Denemarken met je eigen voertuig te berijden, been there, done that.


Het staat hier vol met vakantiehuizen, en geen klein als ge ’t mij vraagt.


We vinden in ’t hele dorp maar één eetgelegenheid, me dunkt dat Zweden liever binnenshuis eten gaan, of weinig honger hebben. Het beste wat er op de beperkte kaart te vinden is zijn diverse pizza’s, nog maar eens pizza dus.

Na ’t eten wandelen we nog is naar ’t strand, de zon is achter de horizon verdwenen en zorgt voor een mooie roze avondgloed.


Het bedje in het veel te warme hutje ligt goed, eens de hitte (we hebben vandaag 27°C gehad) weg is val ik in slaap.

Dag 1 van de grote terugkeer, vanaf nu is ’t enkel nog de autosnelweg verlaten om ofwel benzine te vinden, of een hotel te zoeken. En dit tot thuis, wat nog een serieus pokkenend is als je ’t op de kaart bekijkt. De enige attractie, als je ’t al zo kunt noemen, komt in de vorm van de Oresundbrug en dito tunnel, tussen het Zweedse Malmö en het Deense Kopenhagen.

Nu, ik kan heel kort zijn, het is duur, heel duur om erover te mogen rijden. En je zou dan denken dat je voor dat geld tenminste een parking met een mooie viewpoint of iets in die trend zou passeren maar nee, integendeel, we krijgen preventief onder ons voeten dat we zeker niet mogen stoppen om foto’s te nemen, dat het gehele traject gemonitord wordt en dat we quasi zeker een fikse boete mogen verwachten als we ’t alsnog proberen. Tot daar dus het gedeelte “hoe heet ik een toerist welkom aan een indrukwekkend bouwwerk”, ik denk dat ze die cursusdag collectief ziek waren. Soit, dan maar foto’s schieten al rijdende, lukt ook, maar had ’t liever anders gezien. Dan hebben de Fransen aan het Viaduc de Millau het toch veel slimmer gespeeld me dunkt.

 

 


Halverwege duik je dan omlaag, je gaat van de brug de tunnel in op een kunstmatig eiland.


Allé, dat was ’t  dan voor vandaag, hoogtepunt gepasseerd. De autosnelweg rond, en onder Kopenhagen is al even saai als dat stuk van Esbjerg naar Aalborg. Echt waar, Denemarken, proper land, vriendelijke mensen, over 7000km kust, maar voor de rest al even boeiend als verf zien drogen.

Blijkbaar loopt onze richting (we mikken naar Robdyhavn waar een vaste en frequente ferry naar het Duitse Puttgarden heen en weer loopt) over een reeks eilanden genaamd Faster en Lolland. Die bruggen zijn op zich al bijna even indrukwekkend dan de Oresund, dewelke ik een beetje teleurstellend vond.


Net over de brug toch maar eens selfie proberen, kwestie da’k alles geprobeerd heb om vandaag de verveling tegen te gaan.


Een uurke later staan we in Rodby, de autosnelweg leidt je sowieso naar de ferryterminal, verkeerd rijden is hier een opdracht die je serieus moet nemen om erin te slagen.


De oversteek loopt gesmeerd, motoren worden door onszelf snel vastgezet, wel heb je weinig ruimte maar ze steken die boot dan ook zo vol mogelijk met vrachtwagens. Op het observatiedek eten we een hapje, en zien we donkere wolken opduiken boven de Duitse kust.
Tegen dat we het schip mogen verlaten is ’t drukkend, er zit nattigheid in de lucht en ja hoor, we zijn de haven nog niet uit en de hemelsluizen gaan open. P en Y moeten stoppen of ze worden drijfnat door hun pak, ik doe snel m’n ventilatieritsen dicht, ruil m’n doorwaaihandschoenen om voor Gore-Tex handschoenen en wacht geduldig tot P en Y klaar zijn om verder te rijden. ’t Is niet voor ver, amper 40km ofzo, maar 40km in die stortvlaag zonder regenbescherming en je bent nat tot op je onderbroek. P had op z’n phone een hotel gevonden met alles op en aan, voor een spotprijs, het Strandhotel in Wangels, zo’n 5km van de autosnelweg.

Blijkt een poepsjiek ding te zijn, we zetten de motoren onder het portaaltje aan de inkom, de mensen kijken ons enigszins raar, anderzijds geamuseerd aan.
Na een verkwikkende douche, die in de badkamer, niet die van de laatste km’s onderweg, en mijn laatste min of meer propere kleren te nemen gaan we in de loungezetelkes van de bar naar de match van 17u00 kijken, naderhand een hapke eten in ’t restaurant en sluiten de avond af in de bar met enkele halveliters Duits gerstenat.

Dag twee van de grote terugrit, kan ik heel kort over zijn. We spreken af dat we elk ons eigen tempo rijden, het biedt geen enkel voordeel om nu nog samen te blijven, ik moet sowieso vlugger tanken dan de 2 GSA’s met hun grote tank, en dan kan je het tempo rijden dat je zelf het liefst hebt. We nemen afscheid van Y, die heeft nog genoeg peut in de tank om niet meteen te hoeven tanken, P en ik daarentegen moeten direct op zoek naar een benzinepomp. Ff een omwegske doen vooraleer we de snelweg oprijden, na ’t tanken neem ik afscheid van P, en ik begin aan de laatste 740km van deze reis.
Rijden tot de tank zegt dat ik ze opnieuw moet vullen, en dit tegen gemiddeld 140 à 150, zo gaat het ’t snelst met de Yamaha. Sneller jaag ik de tank veel te rap leeg, trager is, tja, gewoon trager zekers?


Aan de tankstop is een massa Harley’s te zien, blijkt dat er dit weekend een bijeenkomst was in Hamburg, en die meute trekt nu huiswaarts.

Onder Munster zie ik in de verte iets rijden dat ik al bijna twee weken voor of achter me rijden heb, ik heb Y ingehaald. Ik moet echter stoppen voor ’t rode licht alwaar hij net kan doorrijden (rond Marl moet je blijkbaar best ff de snelweg af om een stuk te bypassen ofzo, weetikveel). De volgende keer dat ik Y voor me zie verschijnen zijn we net voor Venlo. We stoppen samen om te tanken en nog ff een babbelke te doen, Y neemt richting zijn regio, ik knal verder via Eindhoven, Antwerpen en draai in Waasmunster de E17 af om ’t laatste stuk nog gewoon binnendoor te kunnen rijden.

Voor de voetbal begint ben ik thuis, P zit zelfs al in ’t café om met z’n maten naar de volgende match te zien. Y denk waarschijnlijk dat diene voetbal ‘m vierkantig kan gestolen worden.
Ik maak me klaar om thuis op ’t gemakske samen met m’n vriendin naar de match te zien, als afsluiterke zijn er slechter dingen te doen 😊

The End…

0

Your Cart